Dampopen wanden: een alternatief voor ventilatie?

Doordat bepaalde wandopbouwen ‘ademend’ of dampopen zijn, zouden zij onder meer een gezond binnenklimaat kunnen waarborgen door het vochtgehalte in het gebouw te regelen. Maar hoeveel vocht kunnen zij afvoeren in vergelijking met de vochtoverdracht door ventilatie of door luchtdichtheidsgebreken?
Een dampopen wand, ook wel ‘ademende wand’ genoemd (houtskeletwand, hellend dak ...), wordt doorgaans voorgesteld als een structuur die opgebouwd is uit een opeenvolging van damp­open materialen (dat wil zeggen waarvan de equivalente dampdiffusiedikte of sd-waarde kleiner is dan 3 m). Hoewel hun naam doet uitschijnen dat er lucht door deze wanden heen kan gaan, willen we erop wijzen dat de gebouwwanden steeds voldoende luchtdicht moeten zijn om aanzienlijke energieverliezen te vermijden. Welke rol kunnen dergelijke wanden dan nog spelen in de afvoer van het vocht dat onvermijdelijk in een gebouw geproduceerd wordt? Kunnen ze een ventilatiesysteem vervangen zoals bepaalde technische documenten suggereren?

'
Een ventilatiesysteem blijft onmisbaar om een gezond binnenklimaat te garanderen, ongeacht de wandopbouw.

  1. OSB-plaat (15 mm)
  2. Isolatie (175 mm)
  3. Houtvezelplaat (16 mm)

1 | Wandopbouw met een lage dampdiffusieweerstand.
Teneinde een antwoord te kunnen formuleren op deze vragen, heeft het WTCB de vochtoverdracht vergeleken van een gemiddelde eengezinswoning met een beschermd volume van 450 m³ en een gebouwschil van 320 m². Hierbij werden er twee luchtdichtheidsniveaus in beschouwing genomen: een luchtdoorlatendheid v50 van 3 m³/(h.m²), wat overeenkomt met een gemiddeld niveau, en een luchtdoorlatendheid v50 van 1 m³/(h.m²), wat overeenkomt met een hoog luchtdichtheidsniveau. Het gebouw was uitgerust met een efficiënt mechanische-ventilatiesysteem dat zorgt voor een vrij droog binnenklimaat (klimaatklasse II). Bij een goed ontworpen en uitgevoerd gebouw (dat met andere woorden bijvoorbeeld geen waterinfiltraties of opstijgend grondvocht vertoont) grijpt de vochtuitwisseling met de buitenomgeving louter plaats door diffusie doorheen de wanden, door ongewenste infiltratie en exfiltratie door luchtdichtheidsgebreken en door de ventilatie.

Om in elk gebouw een gezond binnenklimaat te kunnen waarborgen, is een hygiënische ventilatie onontbeerlijk. Zo moeten de polluenten die afgegeven worden door de personen zelf (bio-effluenten), door de aanwezige materialen en door het meubilair afgevoerd worden met het oog op het comfort, de cognitieve prestaties en de gezondheid van de gebruikers. Het debiet dat hiervoor nodig is, ligt doorgaans hoger dan het debiet dat nodig is om het vocht af te voeren (zie TV 258). Een ventilatiesysteem blijft dus onmisbaar om een gezond binnenklimaat te garanderen, ongeacht de wandopbouw. Voor het in dit artikel beschouwde gebouw werd het benodigde gemiddelde jaarlijkse ventilatie­debiet geschat op 184 m³/h. Dit debiet voert een grote hoeveelheid vocht af, die als referentie zal dienen voor de vergelijking van de luchthoeveelheden die via de luchtlekken of door dampdiffusie geëvacueerd worden.

'
Omwille van hun willekeurige ligging en hun variabele en oncontroleerbare karakter kunnen de luchtlekken in geen geval een ventilatiesysteem vervangen.

Indien de wanden (gevels en dak) van het gebouw opgebouwd zijn uit materialen met een lage dampdiffusieweerstand (bv. een houtskeletwand waarvan de binnenzijde uit een OSB-plaat bestaat die dienstdoet als dampscherm en een sd-waarde heeft van 3 m, zie afbeelding 1), kan er een aanzienlijke hoeveelheid waterdamp doorheen deze wand passeren. Bij correct ontworpen en uitgevoerde wanden zal deze beheerste vochtdiffusie geen duurzaamheidsproblemen veroorzaken ten gevolge van bijvoorbeeld inwendige condensatie. In ons voorbeeld zal de hoeveelheid waterdamp die in winterse omstandigheden door diffusie doorheen de 213 m² aan muren en dak (hetzij 66 % van het oppervlak van het beschermde volume) gaat, slechts 3 % van het door de ventilatie geëvacueerde vocht bedragen.



2 | Verdeling van de vochtstromen naar de buitenomgeving (bij een gebouw met een goede luchtdichtheid).
De aan luchtdichtheidsgebreken te wijten luchtlekken zullen eveneens een zekere hoeveelheid waterdamp naar buiten toe transporteren. We willen er echter aan herinneren dat deze luchtlekken omwille van hun willekeurige ligging en hun variabele en oncontroleerbare karakter in geen geval een ventilatiesysteem kunnen vervangen (zie TV 255). In de beschouwde situatie kan men stellen dat het gemiddelde lekdebiet over het hele oppervlak van het beschermde volume 26 m³/h bedraagt in gebouwen met een gemiddelde luchtdichtheid (v50 = 3 m³/(h.m²)) en 9 m³/h in performantere gebouwen (v50 = 1 m³/(h.m²)). Deze lekdebieten zullen respectievelijk 21 en 7 % van het door de ventilatie geëvacueerde vocht in de vorm van waterdamp afvoeren. Deze waarden liggen veel hoger dan de debieten die door diffusie doorheen de wanden gaan, wat de mogelijke impact van de luchtdichtheidsgebreken op het vochtgehalte in de wanden en de hiermee gepaard gaande risico’s op beschadiging benadrukt.

We kunnen besluiten dat zelfs vrij damp­open wanden slechts een minieme rol spelen in de vochtuitwisseling tussen de binnen- en de buitenomgeving (zie afbeelding 2). Zo bedroeg het door dampdiffusie geëvacueerde vocht in de bestudeerde situatie slechts 3 % van het door ventilatie geëvacueerde vocht. Het gebruik van dampopen materialen kan echter wel een gunstige impact hebben op de droging van de wand, wat in bepaalde situaties de vochtigheidsduur van de wand kan verkorten en aldus het risico op de beschadiging van de vochtgevoelige materialen kan verminderen.

A. Tilmans, ir., adjunct-laboratoriumhoofd, en T. De Mets, ir., onderzoeker, laboratorium Hygrothermie, WTCB