Belang van het voorbereidende werk vóór de plaatsing van textiele vloerbekledingen

Omwille van de talrijke evoluties die zich de laatste jaren voorgedaan hebben op het vlak van de normalisatie en de fabricage van vloerbekledingen kon de herziening van de TV 165 over soepele vloerbekledingen uit 1986 niet langer uitblijven. Deze herziening werd in twee delen opgesplitst: het eerste deel over elastische vloerbekledingen werd behandeld in de TV 241 die in 2011 gepubliceerd werd en het tweede deel over textiele vloerbekledingen zal weldra gepubliceerd worden. Dit artikel bespreekt de voornaamste evoluties van deze toekomstige TV.
Door de verplichting van de CE-markering voor elastische, textiel- en laminaatvloerbekledingen, die in 2007 door de Europese geharmoniseerde norm NBN EN 14041 (*) ingevoerd werd enerzijds, en de opstelling van de Bouwproductenverordening (BPV) en de ermee verbonden fundamentele voorschriften anderzijds, is het aantal eisen dat aan vloerbekledingen gesteld wordt, toegenomen. Zo is het voortaan verplicht om de brandreactieprestaties, de slipweerstand (technische klasse DS, met betrekking tot de dimensionale stabiliteit) en het gehalte aan en de uitstoot van gevaarlijke stoffen te declareren. De eisen die aan textiele vloerbekledingen gesteld worden, zullen uitvoerig besproken worden in hoofdstuk 4 van de toekomstige TV.

"
De voorbereiding van de ondergrond is een essentiële fase voor het aanbrengen van de vloerbekleding.
De plaatsing zelf zal in hoofdstuk 7 uitgebreid aan bod komen. Daarin zal het voorbereidende werk voor de plaatsing, dat essentieel is om het gewenste resultaat te bekomen, besproken worden. Vóór de plaatsing dienen bepaalde stappen in acht genomen te worden:

  • verwijdering van de bestaande vloerbekleding en de lijmresten. Indien de bestaande lijmlaag niet verwijderd kan worden, dient men een aangepast voorstrijkmiddel te gebruiken
  • eliminatie van vuil, cementmelk, bindmiddelhuid of behandelingsproducten (net zoals bij elastische vloerbekledingen)
  • plaatselijke herstelling met aangepaste mortels (net zoals bij elastische vloerbekledingen)
  • behandeling van zichtbare scheuren in de dekvloer. Net zoals bij elastische vloerbekledingen is de toe te passen behandeling afhankelijk van de scheuropening (< 0,3 mm of ≥ 0,3 mm) en het gebruikte dekvloertype
  • behandeling van de voegen. Hernemingsvoegen en andere voegen die niet doorlopen over de totale dikte van de dekvloer worden op dezelfde manier behandeld als zichtbare scheuren. Wat de constructievoegen en verdeelvoegen betreft, die de dekvloer over zijn volledige dikte onderbreken, worden er in de toekomstige TV verschillende oplossingen voorgesteld in functie van de poolhoogte
  • het aanbrengen van een voorstrijkmiddel wanneer men zich ervan vergewist heeft dat de dekvloer voldoende droog is om afgewerkt te worden met de vloerbekleding (zie tabel A). Indien de vereisten inzake het vochtgehalte van de dekvloer niet gerespecteerd kunnen worden, kan men overwegen om over te gaan tot de plaatsing van een vloeibaar vochtscherm (zie afbeelding 1). Hiertoe dient men bij de fabrikant de nodige informatie op te vragen betreffende het aantal lagen, de wijze waarop deze aangebracht dienen te worden, de gebruiksgrenzen van het vochtscherm (ten opzichte van het vochtgehalte van de ondergrond) en de minimale en maximale droogtijd die men in acht dient te nemen vóór de uitvoering van een nieuwe laag

    1 | Aanbrengen van een vloeibaar vochtscherm
    1 | Aanbrengen van een vloeibaar vochtscherm

  • het aanbrengen van een egalisatielaag van gemiddeld 2 mm dik (zie afbeelding 2) die na droging mechanisch en tegen lage snelheid opgeschuurd wordt (minstens 1 mm dik na schuren) en vervolgens grondig gestofzuigd wordt.

    2 | Gladstrijken van de egalisatielaag met een spaan
    2 | Gladstrijken van de egalisatielaag met een spaan
A | Toelaatbaar vochtgehalte (in massapercent, bepaald met behulp van de carbidefles) voor dekvloeren bij de plaatsing van een textiele vloerbekleding
Type rugzijde Dekvloertype Toegelaten vochtgehalte
Waterdampdoorlatend Cementgebonden 3 CM-%
Anhydrietgebonden 1 CM-%
Dampdicht Cementgebonden Met vloerverwarming 1,8 CM-%
Zonder vloerverwarming 2 CM-%
Anhydrietgebonden Met vloerverwarming 0,3 CM-%
Zonder vloerverwarming 0,5 CM-%

Men dient eveneens bijzondere aandacht te besteden aan de omgevingsvoorwaarden van de ruimte waarin de vloerbekleding aangebracht zal worden. Hierin dient er een relatieve luchtvochtigheid van minder dan 75 % en bij voorkeur van minder dan 65 % te heersen. De omgevingstemperatuur dient minstens 15 °C te bedragen. Deze voorwaarden dienen in acht genomen te worden vóór, tijdens en na de plaatsing: met andere woorden tot de volledige droging van de lijm bij een gelijmde plaatsing, wat in bepaalde gevallen tot 72 uur kan duren. Bij het plaatsen van de vloerbekleding dient de temperatuur van de ondergrond minstens 10 °C te bedragen en minstens 3 °C boven het dauwpunt van de omgevingslucht te liggen (zie tabel B). Gedurende de winter is het bovendien niet ondenkbaar dat de oppervlaktetemperatuur van de ondergrond gevoelig lager kan zijn dan de luchttemperatuur.

B | Dauwpuntwaarden [°C] in functie van de temperatuur en de relatieve vochtigheid van de omgevingslucht
Luchttemperatuur [°C] Relatieve vochtigheid van de omgevingslucht [%]
65 60 55 50 45 40
16 9,4 8,2 7,0 5,6 4,1 2,4
18 11,3 10,1 8,8 7,4 5,9 4,2
19 12,3 11,1 9,7 8,3 6,8 5,1
20 13,2 12,0 10,7 9,3 7,7 6,0
21 14,2 12,9 11,6 10,2 8,6 6,9
22 15,1 13,9 12,5 11,1 9,5 7,8
23 16,1 14,8 13,5 12,0 10,4 8,7
E. Nguyen, ir., projectleider, laboratorium Hout en coatings, WTCB
(*) De norm NBN EN 14041 is momenteel in herziening. De publicatie van de nieuwe versie wordt midden 2017 verwacht.