Milieuboodschappen op bouwproducten

Het aantal bouwproducten waarvan – soms zonder duidelijke achtergrond – geclaimd wordt dat ze 'groen' of 'ecologisch' zijn, is niet te overzien. Dit kan toegeschreven worden aan het feit dat het tot voor kort ontbrak aan iedere vorm van wetgeving omtrent milieuboodschappen op bouwproducten. Deze wildgroei aan claims maakt het er voor de aannemer en de architect niet altijd eenvoudiger op om een milieubewuste materiaal- of productkeuze te maken. Daar komt nu enigszins verandering in met de publicatie van het Koninklijk Besluit (1) van 22 mei 2014 tot vaststelling van de minimumeisen voor het aanbrengen van milieuboodschappen op bouwproducten. In dit artikel geven we wat tekst en uitleg bij de inhoud van voornoemd KB en lichten we toe hoe dit initiatief een eerste stap vormt naar de berekening van de milieuprestaties van gebouwen.

Huidige wetgeving

Een eerste eis uit het KB van 22 mei 2014 is dat de op bouwproducten aangebrachte milieuboodschappen moeten beantwoorden aan de voorschriften uit de norm NBN EN ISO 14021 (2). Dit houdt onder meer in dat de boodschappen niet misleidend mogen zijn. Een tweede vereiste is dat elke fabrikant die een milieuboodschap op zijn product wil aanbrengen vanaf 1 januari 2015 een levenscyclusanalyse (LCA, zie Infofiche 64) moet laten uitvoeren. Deze LCA-resultaten moeten op hun beurt gecommuniceerd worden onder de vorm van een milieuproductverklaring of Environmental Product Declaration (EPD), overeenkomstig de basisregels uit de norm NBN EN 15804+A1 (3). Een derde eis is dat de aldus opgestelde milieuproductverklaringen vervolgens geregistreerd moeten worden in de publiek toegankelijke federale EPD-databank (www.environmentalproductdeclarations.eu). Op die manier heeft elke consument toegang tot de achterliggende milieu-informatie van een product.

Belangrijk om weten is dat deze databank ook openstaat voor buitenlandse EPD's (voor zover ze conform zijn aan de Belgische en Europese rekenregels) en dat er eveneens EPD's in opgenomen kunnen worden van producten waarop er geen milieuboodschappen vermeld zijn. Dit gebeurt dan op vrijwillige basis.

Relevantie van het KB

Door de uitvoering van een LCA krijgen de fabrikanten niet alleen een volledig en objectief beeld van de milieuprestatie van hun producten, maar ook een beter inzicht in hun productieproces, wat hen in staat kan stellen om verbetertrajecten uit te denken. Voor de aannemer of de architect ligt het grote voordeel van een EPD er dan weer in dat hij aan de hand van de verschillende milieu-impactcategorieën (zoals de klimaatverandering, de aantasting van de ozonlaag of de uitputting van grondstoffen) duidelijke milieu-informatie krijgt over het materiaal of het product in kwestie en aldus een bewuste keuze kan maken. De interpretatie van deze milieudata is echter niet vanzelfsprekend indien men niet over de nodige LCA-expertise beschikt.

Toekomstige evoluties

Daar waar men vandaag de dag enkel verplicht is om een milieu-analyse van de productiefase uit te voeren (van wieg tot fabriekspoort), stelt het KB van 22 mei 2014 dat men vanaf 2017 zal dienen over te gaan tot de berekening van de milieu-impact over de volledige levenscyclus van het product (productie, constructie en levenseinde). Vanaf die datum zullen er ook een aantal bijkomende milieu-impactcategorieën zoals de toxiciteit en de hoeveelheid fijn stof in aanmerking genomen moeten worden. Hiermee vervult de Belgische overheid een voortrekkersrol op het vlak van de aanpassingen die doorgevoerd zullen worden aan de Europese norm.

Aansluitend op de norm NBN EN 15804 wordt er momenteel ook gewerkt aan een reeks specifiek Belgische rekenregels voor bouwproductgerelateerde LCA's en EPD's die op termijn opgenomen zullen worden in een nationaal normatief document.

Bij de recente herziening van de Europese Bouwproductenverordening, werd er ten slotte een zevende fundamentele eis toegevoegd met betrekking tot het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Dit heeft ervoor gezorgd dat verschillende Europese productcomités – thermische isolatie, beton en betonproducten, soepele vloerbekledingen en laminaat, geprefabriceerde betonproducten, metselwerk, hout en houtproducten, dakbedekkingen en kunststofbuizen – zich momenteel toeleggen op de opstelling van productspecifieke rekenregels voor het uitvoeren van LCA's, conform aan maar aanvullend op de norm NBN EN 15804. In afwachting van een eventuele verplichting op Europees niveau zullen deze rekenregels in eerste instantie opgenomen worden in het vrijwillige deel van de betreffende productstandaarden.

Milieuprestaties van gebouwen

Bij de beoordeling van een bouwproduct mag men zich niet blindstaren op de milieu-impact van het product an sich, maar dient men eveneens rekening te houden met de impact ervan op gebouwniveau. Zo is het niet ondenkbaar dat het gebruik van materialen met een lagere milieu-impact resulteert in gebouwen met slechtere milieu-prestaties (bv. omwille van de noodzaak aan extra bevestigingsmateriaal, een zwaardere fundering in functie van de opbouw of meer intensieve onderhoudsvereisten gedurende de volledige levensduur van het gebouw). Daarom werd in 2012 in opdracht van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) een op de Europese normalisatie gebaseerde methode ontwikkeld ter bepaling van de materiaalprestaties van gebouwelementen: de MMG-methode (Milieugerelateerde Materiaalprestatie van Gebouwelementen; www.ovam.be/materiaalprestatie-gebouwen). Deze methode is specifiek afgestemd op de Belgische context en laat toe de milieu-impact van elementvarianten, zoals wand-, dak- en vloerconstructies, te vergelijken.

De Gewesten maken op dit moment – in samenspraak met de bouwsector – ook werk van een gebruiksvriendelijke rekentool die architecten, bouwondernemingen en bouwmateriaalproducenten een beter inzicht moet geven in de milieugebonden materiaalprestatie van hun bouwwerken. Deze tool zal onder meer gebruikmaken van de productinformatie die proactief ter beschikking gesteld wordt in de federale EPD-databank. Dit moet de architecten en de aannemers in staat stellen om specifieke materiaalcombinaties te kiezen met een lagere milieu-impact dan de gemiddelde sectorprestatie. Op termijn zouden deze laatsten ook eigen varianten en materiaalcombinaties in de tool moeten kunnen inbrengen. Een volgende stap is dan de ontwikkeling van een Materiaalpeil of M-peil dat de weerspiegeling vormt van de milieu-impact van het gebouw (naar analogie met het bestaande Energiepeil of E-peil). In Nederland is het tegenwoordig verplicht om in elke nieuwe bouwaanvraag een LCA-berekening op te nemen waarin de milieu-impact van de in het bouwwerk toe te passen materialen gedeclareerd wordt.

Voor meer informatie over de milieureglementering en andere milieugerelateerde aspecten (zoals milieulabels, EPD's en LCA's) verwijzen we naar het toekomstige WTCB-Rapport Principes en aandachtspunten bij de keuze van duurzame bouwmaterialen.

L. Wastiels, dr. ir.-arch., projectleider, laboratorium Duurzame ontwikkeling, WTCB

Dit artikel werd opgesteld in het kader van de Technologische Dienstverlening Duurzaam bouwen en duurzame ontwikkeling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
(1) Koninklijk besluit tot vaststelling van de minimumeisen voor het aanbrengen van milieu-boodschappen op bouwproducten en voor het registreren van milieuproductverklaringen in de federale databank.
(2) NBN EN ISO 14021 Milieu-etiketteringen en -verklaringen. Zelfvastgestelde milieu-uitspraken (Type II milieu-etikettering), 2001.
(3) NBN EN 15804+A1 Duurzaamheid van bouwwerken. Milieuverklaringen van producten. Basisregels voor de productgroep bouwproducten, 2014.

Rol van het WTCB

Gelet op het feit dat het WTCB over de nodige LCA-expertise beschikt en zowel de nationale als de Europese normalisatie met betrekking tot dit onderwerp nauwgezet opvolgt, kunnen onze medewerkers u met raad en daad bijstaan bij de evaluatie van milieuprestaties op product-, component- of gebouwniveau.