De invloed van bouwdetails op de akoestische isolatie van gebouwen

Bouwdetails spelen een niet te onderschatten rol in het akoestische ontwerp van gebouwen. Ze hebben immers niet alleen een invloed op de geluidsisolatie ten aanzien van buitengeluiden, maar ook op de geluidsisolatie tussen de ruimten in een gebouw. Dit artikel gaat hier dieper op in en toont aan dat de in de norm vastgelegde comfortniveaus voor akoestische isolatie mits een doordachte keuze en een aangepaste uitwerking van de bouwdetails binnen handbereik liggen.

1. Lucht- en contactgeluiden

Bij akoestische isolatie moet er in de eerste plaats gekeken worden naar de aard van de geluiden waartegen we ons wensen te isoleren. In functie van de geluidsbron wordt er een onderscheid gemaakt tussen luchtgeluiden en contactgeluiden:
  • luchtgeluiden ontstaan in de lucht en worden via luchttrillingen doorgegeven aan de gebouwstructuur (bv. stemgeluid, geluiden van radio, televisie en verkeer)
  • contactgeluiden zijn daarentegen het gevolg van het contact tussen voorwerpen en bouwelementen en veroorzaken een rechtstreekse trilling van de gebouwstructuur (bv. loopgeluid, het geluid van schuivende stoelen of vallende voorwerpen).
Een ander onderscheid kan gemaakt worden al naargelang de geluidsbronnen zich buiten of binnen het gebouw bevinden. We spreken dan respectievelijk van gevelgeluidsisolatie (§ 3) en van geluidstransmissie tussen twee ruimten (§ 4). Het begrip 'bouwdetail' zal in beide gevallen een verschillende akoestische invulling krijgen.

2. Bouwakoestische normen

In België worden de prestatie-eisen voor de gevelgeluidsisolatie en de lucht- en contactgeluidsisolatie in gebouwen vastgelegd in een aantal normen die onderverdeeld zijn op basis van het gebouwtype. Zo verscheen in 2008 de norm NBN S 01-400-1 die de akoestische criteria voor woongebouwen vastlegt. In 2012 verscheen er een gelijkaardige norm voor schoolgebouwen (NBN S 01-400-2).

Momenteel wordt er gewerkt aan een derde deel (NBN S 01-400-3), waarin de prestatie-eisen voor de overige niet-residentiële gebouwtypes opgenomen zullen worden. Vooralsnog dient men er in deze context echter nog steeds de oude normen NBN S 01-400 (1977) en NBN S 01-401 (1987) op na te slaan.

In de norm voor woongebouwen (NBN S 01-400-1) wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee comfortniveaus, namelijk een normaal akoestisch comfort (NAC) en een verhoogd akoestisch comfort (VAC). Het eerste kan beschouwd worden als het minimale kwaliteitsniveau, waarbij minstens 70 % van de gebruikers tevreden zijn met de behaalde lucht- en contactgeluidsisolatie onder een normale geluidsbelasting voor traditionele, zware en steenachtige bouwwijzen (1). Het tweede mikt op een tevredenheid bij meer dan 90 % van de gebruikers (zie WTCB-Dossier 2012/2.18).

In de volgende delen van de nieuwe normenreeks zal er slechts sprake zijn van één prestatieniveau. De hierin geformuleerde eisen zullen echter wel verscherpt worden telkens als er strengere akoestische randvoorwaarden van toepassing zijn.

3. Gevelgeluidsisolatie

3.1. Gevelbouwdetails

Als we de luchtgeluidsisolatie tussen een ruimte en de buitenomgeving even onder de loep nemen, moeten we vaststellen dat het bereikte isolatieniveau sterk beperkt kan worden door de 'akoestisch zwakkere' gevelelementen (bv. vensters, ventilatieopeningen en dakconstructies). In omgevingen met een grotere geluidsbelasting zou er dan ook geopteerd moeten worden voor de akoestisch verbeterde varianten van voornoemde bouwelementen. Naarmate de akoestische prestaties van deze elementen verbeteren, zal ook hun correcte onderlinge aansluiting en hun aansluiting op de rest van de ruwbouw belangrijker worden. Dergelijke aansluitingen kunnen beschouwd worden als lineaire akoestische bouwdetails. Een puntsgewijze ventilatiedoorvoer kan op zijn beurt beschouwd worden als een punctueel akoestisch bouwdetail.

Daar waar slecht uitgevoerde bouwdetails in een energetische context leiden tot bijkomende warmteverliezen of luchtlekken, kunnen ze in een akoestische context resulteren in geluidslekken. In dit verband is het belangrijk om aan te stippen dat een luchtdichte aansluiting niet noodzakelijk geluidslekdicht is en omgekeerd. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van de voorbeelden uit tabel A.

A | Voorbeelden om het onderscheid tussen de begrippen 'luchtdicht' en 'geluidslekdicht' te illustreren.
Criterium Luchtdicht?
ja nee
Geluidslekdicht? ja siliconenkitvoeg, bepleistering akoestisch gedempt ventilatierooster
nee dunne folie, PUR-op-schui-ming open kier, poreus metselwerk

3.2. Classificatie van de gevelbouwdetails

De norm NBN S 01-400-1 legt strengere prestatie-eisen op voor de gevelgeluidsisolatie naarmate de gevelvlakken aan een sterkere geluidsbelasting onderworpen worden. Zo worden er in de norm vier buitenlawaaiklassen beschreven. Het spreekt voor zich dat sommige gevelbouwdetails niet langer toepasbaar zijn als het omgevingslawaai een bepaalde drempelwaarde overstijgt. Het kan met andere woorden nuttig zijn om de verschillende gevelbouwdetails te beoordelen naargelang van hun bruikbaarheid in de voornoemde buitenlawaaiklassen (tabel B). De prestatiebeoordeling zou in deze context toegekend kunnen worden aan details van gebouwen die aan geen enkele eis moeten voldoen.

B | Toepassingsgebied van de bouwdetails in functie van de in situ te behalen gevelgeluidsisolatie om in een woonkamer, die slechts aan één zijde blootgesteld wordt aan buitenlawaai, te kunnen voldoen aan een normaal akoestisch comfort (NBN S 01-400-1).
Buiten-lawaai-klasse Beschrijving Minimale gevel-geluidsisolatie (NAC)
1 Rustige landelijke wegen, rustige verkavelingen met plaatselijk verkeer of stadsstraten met beperkt plaatselijk verkeer DAtr ≥ 26 dB
2 Geasfalteerde stadsstraten met normaal verkeer, met één rijstrook per rijrichting DAtr ≥ 31 dB
3 Druk traagrijdend verkeer DAtr ≥ 36 dB
4 Stadsstraten met zeer intens verkeer, drukke wegen met een betonnen wegdek, nationale wegen, invalswegen naar grotere steden en verbindingswegen met regelmatig zwaar verkeer naar industrieterreinen DAtr ≥ 43 dB

3.3. Gevelbouwdetail tussen een venster en een spouwmuur

Bij wijze van voorbeeld stelt afbeelding 1 een verticale doorsnede voor van een thermisch performant gevelbouwdetail, meer bepaald de aansluiting tussen een venster en een spouwmuur.

  1. Luchtspouw
  2. Thermische isolatie
  3. Gevelmetselwerk
  4. PUR-schuim
  5. Spouwsluiting
  6. Bevestigingsklang van het schrijnwerk
  7. Luchtdichtheidsmembraan
  8. Afwerkpleister
  9. Eventuele isolatieplaat
  10. Latei
  11. Dragend metselwerk
  12. Binnenbepleistering
1 | Thermisch performante aansluiting tussen een venster en een spouwmuur. De rode pijl geeft het mogelijke geluidslek weer.

Indien men voor dit detail echter zou opteren voor een dagkantafsluiting uit lichte materialen, in combinatie met een lichte, stijve spouwvulling, zou het enkel nog in een buitenlawaaiklasse 1 toegepast kunnen worden.

4. Lucht- en contactgeluids-transmissie in gebouwen

4.1. Bouwdetails in gebouwen

In § 1 zagen we dat de trillingen in bouwelementen zowel door luchtgeluidsbronnen als door contactgeluidsbronnen opgewekt kunnen worden. Deze trillingen worden enerzijds door de bouwelementen als waarneembaar geluid naar de naburige ruimten afgestraald. Anderzijds kunnen ze ook via de elementenverbindingen aan de andere bouwelementen doorgegeven worden, die de trillingen wederom naar de andere ruimten van het gebouw kunnen afstralen. Vandaar dat er in bepaalde ruimten geluiden hoorbaar kunnen zijn, die afkomstig zijn van bronnen uit een veel verder afgelegen ruimte. Vanuit een akoestisch oogpunt kunnen de lineaire bouwdetails – waarin er doorgaans twee tot vier verschillende elementen samenkomen – met andere woorden beschouwd worden als 'verkeerswisselaars' voor de voortplanting van trillingen doorheen de gebouwstructuur.

4.2. Directe en indirecte geluidstransmissie

Bij de lucht- en contactgeluidstransmissie tussen twee aangrenzende ruimten wordt er vaak – ten onrechte – alleen maar gedacht aan de directe transmissie van geluiden via de gemene wand of vloer. Het geluid kan evenwel ook via andere indirecte transmissiewegen naar de aangrenzende ruimte doordringen. Het aandeel van de indirecte transmissie in de totale geluidstransmissie neemt toe naarmate de directe geluidsisolatie van de scheidingsconstructie groter wordt. De indirecte transmissie zal in voorkomend geval dus bepalend zijn voor de maximaal haalbare geluidsisolatie in situ.

Indirecte geluidstransmissie kan niet alleen gebeuren via een trillingsoverdracht van het ene bouwelement naar het andere (d.i. flankerende geluidstransmissie), maar ook via omloopgeluid (d.i. de overdracht van geluiden via aangrenzende ruimten, de buitenomgeving of het ventilatiesysteem) (zie hiervoor WTCB-Dossier 2013/3.16). Deze laatste problematiek komt in dit artikel echter niet verder aan bod.

De hoeveelheid trillingen die proportioneel doorgegeven wordt in het geval van een flankerende geluidstransmissie is onder meer afhankelijk van het type bouwdetail (T-, kruis- of hoekverbinding) en de massaverhoudingen van de bouwdelen die hierin samenkomen. In de normenreeks NBN EN 12354-1 tot -5 zijn er rekenmodellen voor deze complexe materie terug te vinden. De flankerende geluidstransmissie zal in veel gevallen kleiner worden naarmate de betrokken bouwelementen zwaarder zijn.

De meeste flankerende geluidstransmissiewegen kunnen grotendeels uitgeschakeld worden door de bouwelementen ter hoogte van de bouwdetails via een trillingssnede te ontkoppelen. De flankerende geluidstransmissie kan eveneens beperkt worden door de plaatsing van een ontkoppelde voorzetconstructie vóór het betrokken bouwelement aan de zend- en/of de ontvangstzijde. Verder in dit artikel worden beide strategieën uitvoeriger beschreven.

4.3. Luchtgeluidstransmissie

Bij directe luchtgeluidstransmissie tussen twee aangrenzende ruimten zorgen de geluidsgolven ervoor dat de scheidingsconstructie (vloer of wand) aan de zendzijde aan het trillen gebracht wordt. De scheidingsconstructie zorgt er op haar beurt voor dat de trillingen opnieuw als geluid afgestraald worden aan de ontvangstzijde. In afbeelding 2 wordt deze directe transmissieweg aangeduid door de zwarte pijl en de letters 'Dd'.

De flankerende transmissiewegen tussen twee aangrenzende ruimten worden in afbeelding 2 aangeduid met behulp van gekleurde pijlen in de twee zichtbare bouwdetails van iedere doorsnede. Teneinde de geluidstransmissiewegen duidelijk te kunnen beschrijven, worden de wanden aan de zendzijde aangeduid met een hoofdletter en deze aan de ontvangstzijde met een kleine letter. De scheidingselementen worden benoemd met de letters 'D' en 'd', de flankerende wanden of vloeren met de letters 'F' en 'f'.

'Dd': directe luchtgeluidstransmissieweg
'Ff', 'Fd' en 'Df': flankerende luchtgeluidstransmissiewegen
2 | Luchtgeluidstransmissiewegen in verticale (links) en horizontale richting (rechts). Het luchtgeluid dringt door naar de aangrenzende ruimte via de directe transmissieweg ('Dd'), maar ook via 12 flankerende transmissiewegen (drie per bouwdetail). Op deze afbeelding zijn er per richting telkens maar twee bouwdetails voorgesteld.

Voor een ruimte die begrensd wordt door vier wanden (meer bepaald twee muren, een plafond en een vloerplaat) die doorlopen naar de aangrenzende ruimte, ontstaan er bijgevolg 12 flankerende luchtgeluidstransmissiewegen (drie transmissiewegen per bouwdetail: 'Ff', 'Fd' en 'Df') en één directe luchtgeluidstransmissieweg ('Dd').

4.4. Contactgeluidstransmissie

Bij contactgeluidstransmissie worden de bouwelementen (vloeren, trappen) rechtstreeks aan het trillen gebracht. Bij boven elkaar gelegen ruimten worden deze trillingen niet alleen afgestraald door de plafondplaat (directe contactgeluidstransmissie), maar ook door alle wanden die in contact staan met de plafondplaat. Deze flankerende contactgeluidstransmissie naar de onderliggende ruimte komt per bouwdetail slechts via één enkele transmissieweg tot stand: namelijk via de weg 'Df' van de vloerplaat naar de dragende wand. Bij een vierzijdig opgelegde vloerplaat leidt dit tot maximaal vier flankerende transmissiewegen. Dit betekent echter geenszins dat de flankerende contactgeluidstransmissie verwaarloosbaar zou zijn. Doordat de trillingen rechtstreeks in de vloerstructuur geïnjecteerd worden, zal de grootteorde ervan immers enkele malen groter zijn dan bij een luchtgeluidstransmissie. De plaatsing van een verlaagd plafond alleen zal daarom niet volstaan om een toereikend akoestisch comfort te bekomen. Alle appartementsvloeren moeten bijgevolg uitgerust worden met een voldoende zware zwevende dekvloer die rust op een laag met toereikende trillingsdempende eigenschappen. Zoals blijkt uit afbeelding 3, is dit een efficiënte maatregel om zowel de directe als de flankerende geluidstransmissie aan de bron gevoelig te verminderen. De plaatsing van de zwevende dekvloer dient uiterst zorgvuldig te gebeuren, aangezien deze ook een cruciale rol te spelen heeft in het verhaal van de luchtgeluidsisolatie (zie WTCB-Dossier 2009/3.15).

'Dd': directe contactgeluidstransmissieweg
'Ff', 'Fd' en 'Df': flankerende contactgeluidstransmissiewegen
3 | Contactgeluidstransmissiewegen tussen twee boven (links) en twee naast (rechts) elkaar gelegen ruimten. Bij de boven elkaar gelegen ruimten zijn er behalve de directe transmissieweg ('Dd') ook nog maximaal vier flankerende transmissiewegen ('Df') (één per bouwdetail). Op deze afbeelding worden er slechts twee van de vier bouwdetails voorgesteld. Bij de naast elkaar gelegen ruimten zijn er alleen twee flankerende transmissiewegen ('Fd' en 'Ff').

Tussen twee naast elkaar gelegen ruimten is er slechts één relevant bouwdetail (namelijk de intersectie tussen de gemene muur en de vloerplaat) en kan men in totaal slechts twee flankerende contactgeluidstransmissiewegen onderscheiden, namelijk 'Ff' en 'Fd'. Bij een onzorgvuldige uitvoering van de zwevende dekvloer, zal het verhoopte akoestische comfort echter ook hier meestal niet bereikt worden.

4.5. Sleutelrol van bouwdetails in akoestische bouwconcepten

Om te komen tot een goede geluidsisolatie tussen twee ruimten volstaat het niet om louter en alleen maar een optimaal geïsoleerde gemene muur of vloer te voorzien. Er moet ook nagedacht worden over de flankerende geluidstransmissiewegen. De geluidsisolatie in situ kan berekend worden aan de hand van de normen NBN EN 12354-1 en -2 en op basis van de in het laboratorium bepaalde producteigenschappen van de samenstellende elementen van de constructie. Dit is een vrij complex proces dat nog niet toepasbaar is op alle types bouwdetails en waarvoor er een doorgedreven akoestische kennis vereist is.

Als alternatief voor deze berekeningen zou men eveneens zijn toevlucht kunnen nemen tot de 'robust details'-aanpak (voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar de desbetreffende TV die momenteel in voorbereiding is). Het gaat hier om bouwconcepten die ontwikkeld werden voor de woningbouw en gebaseerd zijn op courante bouwwijzen, waarbij er technische eisen aan de bouwdelen opgelegd worden zodat men het vereiste comfortniveau (NAC of VAC) kan behalen op basis van veilige berekeningen. De bouwconcepten maken gebruik van specifieke bouwelementen en uitvoeringsdetails (bv. funderingen, zwevende vloeren, dakaansluitingsdetails).

4.6. Invloed van bouwdetails op de geluidsisolatie tussen appartementen

In tabel C wordt de invloed van de uitwerking van de bouwdetails 'vloer-scheidingswand', 'vloer-dragende muren' en 'dragende muren-scheidingswand' op het te verwachten akoestische-comfortniveau voor verschillende appartementconcepten onderzocht. Zowel de horizontale als de verticale geluidsisolatie ten aanzien van lucht- en contactgeluiden wordt hierbij geanalyseerd.

C | Invloed van de uitwerking van de bouwdetails 'vloer-scheidingswand', 'vloer-dragende muren' en 'dragende muren-scheidingswand' op het akoestische-comfortniveau voor verschillende appartementconcepten. De pijlen geven de belangrijkste luchtgeluidstransmissiewegen weer.
Beschouwd appartementconcept Beoogd akoestisch-comfortniveau
Normaal akoestisch comfort (NAC)
Verhoogd akoestisch comfort (VAC)
Minimale oppervlaktemassa [kg/m²]
Vertrek-situatie Gietbouw Draagvloer 400 500
Gemene muur 500 600
Dragende muren 300 400
  • Vermits er geluidsoverdracht kan optreden via vrijwel alle flankerende transmissiewegen, zal het bereikte geluidsisolatieniveau eerder beperkt zijn. Bovendien is dit concept niet aan te bevelen vanuit een thermisch oogpunt: de U-waarde van de scheidingswand moet immers beperkt blijven tot 1 W/m²K.
  • Dit betekent dat men ofwel moet gebruikmaken van voorzetconstructies, dan wel van geïsoleerde spouwmuren (thermisch isolerende steenachtige poreuze materialen blijken namelijk te licht om te kunnen beantwoorden aan de akoestische eisen).
Beschouwd appartementconcept

Beoogd akoestisch-comfortniveau
Normaal akoestisch comfort (NAC)
Verhoogd akoestisch comfort (VAC)
Minimale oppervlaktemassa [kg/m²]
Oplossingen waarbij de vloerplaat blijft doorlopen Voorzetwand vóór een gemene muur (zie WTCB-Dossier 2014/3.13) Draagvloer 400 500 600
Scheidingsdeelwand (zonder voorzetwand) en dragende wanden 160 370 260
  • In horizontale richting zijn de flankerende transmissiewegen via het T-muurdetail ofwel onderbroken, ofwel afgeschermd door de voorzetwand van de gemene muur. In dit geval zijn het echter de flankerende transmissiewegen via de plafondpaat 'Ff' en 'Df' die bepalend zijn voor de bereikte geluidsisolatie.
  • In verticale richting wordt de geluidsisolatie bepaald door de directe geluidstransmissieweg 'Dd' en de flankerende geluidstransmissiewegen 'Ff en 'Fd'.
Akoestische muurstroken boven en onder de dragende wanden Draagvloer 400 500
Scheidingsdeelwand (één enkel blad) en dragende wanden 125 125
  • In horizontale richting wordt de geluidsisolatie hoofdzakelijk bepaald door de flankerende transmissieweg via de plafondplaat ('Ff').
  • In verticale richting wordt de geluidsisolatie bepaald door de directe geluidstransmissie via de vloer 'Dd', gelet op het feit dat alle flankerende transmissiewegen onderbroken zijn.
Beschouwd appartementconcept

Beoogd akoestisch-comfortniveau
Normaal akoestisch comfort (NAC)
Verhoogd akoestisch comfort (VAC)
Minimale oppervlaktemassa [kg/m²]
Oplossingen met onderbroken vloerplaten en ankerloze spouwmuren Ankerloze spouwmuur en zware dragende wanden Draagvloer 500 600 600 700
Scheidingsdeelwand (één enkel blad) en dragende wanden 160 125 200 160
  • In horizontale richting treedt er nauwelijks of geen flankerende geluidstransmissie op, waardoor men een hoog geluidsisolatieniveau kan behalen.
  • In verticale richting wordt de geluidsisolatie bepaald door de directe geluidstransmissie 'Dd' via de vloer en de flankerende geluidstransmissiewegen 'Ff' en 'Fd'.
Ankerloze spouwmuur en halfzware wanden op akoestische muurstroken Draagvloer 300 400 500 600
Scheidingsdeelwand (één enkel blad) en dragende wanden 160 125 160 125
  • In horizontale richting treedt er nauwelijks of geen flankerende geluidstransmissie op, waardoor men een hoog geluidsisolatieniveau kan behalen.
  • In verticale richting werden de flankerende geluidstransmissiewegen 'Ff' en 'Fd' onderbroken, waardoor de geluidsisolatie dus voornamelijk bepaald zal worden door de directe geluidstransmissieweg 'Dd'.

In tabel D worden er een aantal voorbeelden van materialen opgegeven waarmee het mogelijk is om de in tabel C vermelde minimale oppervlaktemassa's te bereiken.

D | Voorbeelden van materialen waarmee het mogelijk is om de in tabel C vermelde minimale oppervlaktemassa's te bereiken (*).
Minimale oppervlakte­massa Mogelijk materiaal
700 kg/m² 30 cm gewapend beton
600 kg/m² 26 cm gewapend beton
500 kg/m² 22 cm gewapend beton
400 kg/m² 17 cm gewapend beton
370 kg/m² 21 cm kalkzandsteenelementen
300 kg/m² 13 cm gewapend beton
260 kg/m² 15 cm kalkzandsteenelementen / 14 cm zware volle betonblokken
200 kg/m² 15 cm lichte kalkzandsteenblokken / 14 cm zware holle betonblokken
160 kg/m² 14 cm zware snelbouwsteen / 10 cm zware kalkzandsteenblokken
125 kg/m² 14 cm snelbouwsteen
(*) Voor de scheidingsdeelwanden en dragende wanden wordt er uitgegaan van de veronderstelling dat er ook steeds een pleisterlaag aanwezig is.

Tabel E herneemt de eisen uit de norm NBN S 01-400-1 die toelaten om te voldoen aan de prestatiecriteria voor een normaal en een verhoogd akoestisch comfort tussen appartementen (WTCB-Dossier 2012/2.18).

E | Prestatiecriteria voor een normaal en een verhoogd akoestisch comfort tussen appartementen volgens de norm NBN S 01-400-1.
Zendruimte buiten de woning Ontvangstruimte binnen de woning Normaal
akoes-tisch comfort
(NAC)
Verhoogd
akoestisch comfort
(VAC)
Elke ruimte Elke ruimte behalve een technische ruimte of een inkomhal
  • Luchtgeluidsisolatie:
    DnT,w ≥ 54 dB
  • Contactgeluidsisolatie: L'nT,w ≤ 54 dB (*)
  • Luchtgeluidsisolatie:
    DnT,w ≥ 58 dB
    Contactgeluidsisolatie: L'nT,w ≤ 50 dB
(*) Indien de ontvangstruimte geen slaapkamer is of indien zowel de zend- als de ontvangstruimte een slaapkamer is, mag deze waarde verhoogd worden tot 58 dB.

Een performante zwevende dekvloer is steeds noodzakelijk om de contactgeluidsisolatie-vereisten te kunnen naleven. Voor de desbetreffende uitvoeringsrichtlijnen en bijkomende technische vereisten verwijzen we naar de toekomstige TV over dit onderwerp, waarin er ook nog andere bouwconcepten aan bod zullen komen (o.a. voor lichte bouwwijzen, zie WTCB-Dossier 2014/2.13).


Akoestische classificatie van bouwdetails

Hoewel een akoestische classificatie van bouwdetails (bv. op basis van de trillingsverzwakkingsindex Kij; zie hiervoor de normen NBN EN 12354-1 tot -5) wel degelijk mogelijk is, is dit in feite slechts weinig zinvol, aangezien het geluidsisolatieniveau tussen twee ruimten steeds bepaald wordt door meerdere bouwdetails tegelijkertijd.

Een rangschikking van verschillende bouwconcepten op basis van het tevredenheidspercentage van de bewoners kan daarentegen wel nuttig zijn. Uit de psycho-akoestische studies die aan de basis liggen van het ontwerp van de NBN S 01-400-1 is immers gebleken dat het aantal tevredenen met circa 5 % stijgt telkens wanneer de geluidsisolatie met 1 dB toeneemt. Dit verklaart meteen waarom het verschil in prestatie-eis tussen een normaal (NAC / / 70 % tevredenen) en een verhoogd akoestisch comfort (VAC / / 90 % tevredenen) 4 dB bedraagt.

Als er geen prestatie-eisen vooropgesteld worden (bv. bij een renovatie zonder bouwdossier), zou men bijgevolg de beoordeling kunnen toekennen aan een lucht- en contactgeluidsisolatieniveau dat 4 dB lager ligt dan het normale akoestische comfort (NAC - 4 dB / ). Naar analogie hiermee zou men de beoordeling kunnen toekennen aan een lucht- en contactgeluidsisolatieniveau dat 4 dB hoger ligt dan het verhoogde akoestische comfort (VAC + 4 dB / ). Dit extreem hoge isolatieniveau treft men uitsluitend aan in zeer specifieke situaties (bv. opnamestudio's, concertzalen …). Een detail met de beoordeling zou voorbehouden kunnen worden voor gebouwen waarbij de akoestische isolatie geen prioritair criterium is.

4.7. Impact van voorzetconstructies bij akoestische renovaties

De vervanging van de dragende bouwelementen blijkt meestal te omslachtig te zijn bij een renovatie. Vandaar dat men in deze situatie voor de vloeren, plafonds en/of wanden vaak een beroep doet op voorzetsystemen. Deze kunnen een aanzienlijke invloed hebben op het akoestische gedrag van de bouwdetails.

Om alle comfortcategorieën te kunnen illustreren, wordt er in tabel F uitgegaan van een basisstructuur, bestaande uit een draagvloer en wanden met een oppervlaktemassa van 300 kg/m², waaraan achtereenvolgens een zwevende dekvloer (∆Lw = 24 dB, ∆Rw = 7 dB), een verlaagd plafond (∆Rw = 12 dB) en één of meerdere voorzetwanden (∆Rw = 12 dB) toegevoegd worden, totdat men uiteindelijk een doos-in-doosconstructie bekomt.

F | Impact van voorzetconstructies op de lucht- en contactgeluidsisolatie tussen boven en naast elkaar gelegen appartementen. Naast de behaalde comfortcategorie worden eveneens de marges ten opzichte van de drempelwaarden voor een normaal en een verhoogd akoestisch comfort vermeld. In elke tekening worden tevens de aard van de geluidsbron (symbool) en de bijhorende transmissieweg (rode pijl) aangeduid die bepalend zijn voor het uiteindelijke comfortniveau.
Schematische voorstelling Opbouw Beoordeling Marge
1 Basisstructuur, bestaande uit een draagvloer en wanden met een oppervlaktemassa van 300 kg/m² NAC - 25 dB
2 De basisstructuur uit 1, aangevuld met een zwevende dekvloer NAC - 3 dB
3 De constructie uit 2, aangevuld met een verlaagd plafond NAC - 3 dB
4 De constructie uit 3, met voorzetwanden vóór de scheidingswand NAC + 3 dB
5 De constructie uit 4, met voorzetwanden vóór de kopse wanden van de bovenste verdieping VAC
6 De constructie uit 4, met voorzetwanden vóór de kopse wanden van beide verdiepingen VAC + 6 dB
L. De Geetere, dr. ir., B. Ingelaere, ir.-arch., en M. Géhu, ing., afdeling Akoestiek, WTCB

Artikel opgesteld in het kader van de Normen-Antenne Akoestiek (met de steun van de FOD Economie),
de Technologische Dienstverlening Duurzaam bouwen en duurzame ontwikkeling (gesubsidieerd door
InnovIRIS) en de Technologische Dienstverlening Matériaux et techniques de construction durables
(gesubsidieerd door de Service public de Wallonie).
(1) De prestatie-eisen uit de norm NBN S 01-400-1 laten daarentegen niet toe om een voldoende hoog akoestisch-comfortniveau voor lichte bouwwijzen te garanderen.