Plaatsing van gevelbekledingen uit andere materialen dan hout

De toepassing van een gevelbekleding zorgt niet alleen voor een verfraaiing van de buitenwand, maar kan ook de ideale gelegenheid vormen om de thermische prestaties van de gevel te verhogen. Terwijl de TV 243 de correcte opvatting en uitvoering van gevelbekledingen op basis van houtachtige materialen bespreekt, bestaan er vooralsnog geen gelijkaardige richtlijnen voor andere gevelmaterialen (bv. vezelcementplaten, platen op basis van basalt en pvc-platen). Het WTCB startte daarom op vraag van het TC Schrijnwerk met de opstelling van een leidraad over dit onderwerp.
1 | Pathologie te wijten aan een gebrekkig ontwerp en/of foutieve uitvoering

De noodzaak van een dergelijke leidraad blijkt onder meer uit de toename van het aantal adviezen die de afdeling Technisch advies verstrekt in verband met deze gevelvarianten. Zo wordt de afdeling onder meer geconfronteerd met de volgende vormen van schade:
  • het loskomen van de gevelbekledings-elementen
  • de vervorming van de gevelbekledings-elementen (kromtrekken)
  • de aantasting van de plaat of coating
  • het rotten van de houten secundaire structuur waarop de elementen bevestigd werden
  • het ontwikkelen van schimmels (zie afbeelding 1)
  • het verlies van de isolerende eigenschap van de geplaatste isolatiematerialen
  • waterdoorslag naar de achterliggende gevel.
De opgesomde problemen zijn vaak te wijten aan een minder geslaagde opvatting en/of uitvoering van de gevelbekleding zoals: de toepassing van onvoldoende of verkeerde bevestigingsmiddelen, het gebruik van onbehandeld latwerk voor de secundaire draagstructuur, het overbruggen van een te grote overspanning, de afwezigheid van een geventileerde spouw of de toepassing van een onvoldoende geventileerde spouw …

Uit dit artikel zal blijken dat de toepassing van een geventileerde spouw een noodzakelijke vereiste is bij het ontwerp en de plaatsing van de gevelbekleding en dat deze zal bijdragen tot het vermijden van schade. Het moet echter duidelijk zijn dat deze verluchte spouw op zich geen garantie biedt voor de goede werking van de gevelbekleding.

Naast voornoemde vormen van pathologie die kunnen toegeschreven worden aan fouten in het ontwerp en/of de uitvoering, wordt men in de praktijk immers ook geconfronteerd met problemen die (mede) te wijten zijn aan de eigenschappen van het aangewende materiaal. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan het loskomen van de verflaag, delaminatie van de platen, verkleuring, vlekvorming …

Opbouw van een gevelbekledingsysteem

  1. Binnenbepleistering
  2. Dragende muur
  3. Isolatie
  4. Regenscherm
  5. Latwerk en dwarslatwerk
  6. Verticaal geplaatste gevelbekledingselementen
  7. Beschermingsrooster
  8. Bekleding uit natuursteen of ander ondoordringbaar materiaal
  9. Vochtbestendige isolatie
2 | Opbouw van een gevelbekleding met verticaal geplaatste gevelbekledingselementen

De opbouw van een gevelbekleding-systeem berust op de realisatie van een tweetrapsdichting. Dit houdt in dat er een fysieke scheiding gerealiseerd wordt tussen de gevelbekleding (die voor een betrekkelijke waterdichting zorgt) en de binnenbepleistering (die de luchtdichtheid verzorgt, zie afbeelding 2). Deze luchtdichtheid zorgt ervoor dat het water dat door de gevelbekleding dringt en in de achterliggende spouw terechtkomt, niet naar binnen geblazen wordt, maar naar buiten gedraineerd wordt. Om dit principe te laten werken, moet er een drukvereffening plaatsvinden tussen de spouw achter de gevelbekleding en de buitenomgeving. Deze wordt gerealiseerd door het ventileren van de spouw. Men moet bijgevolg niet enkel onderaan de gevelbekleding, maar ook ter hoogte van de aansluitingen rekening houden met afvloeiend spouwwater.

De spouwventilatie brengt tevens de relatieve luchtvochtigheid van de spouw in evenwicht met deze van de buitenomgeving en zorgt voor een beperkte droging van de materialen. Twee kostbare eigenschappen die de overmatige vervorming van de vaak hygroscopische gevelbekledingsmaterialen kunnen (helpen) vermijden.

Behoudens andere voorschriften van de fabrikant dient de luchtspouw een breedte te hebben van minstens 15 mm (gemeten vanaf de rugzijde van de bekleding en tot aan de voorzijde van het regenscherm). In de praktijk zal deze breedte afhankelijk zijn van de courant in de handel verkrijgbare diktes van het latwerk (voor houten latwerk meestal tussen 22 en 38 mm).

  1. Keper
  2. Bevestigingsklang
  3. Regenscherm
  4. Isolatie
  5. Dragende muur
  6. Hoekprofiel
  7. Zijdelingse afwerkingsplaat
  8. Metalen profiel met afdichtingsvoeg
  9. Vensterdorpel met druiplijst
  10. Horizontaal geplaatst gevelbekledingselement
3 | Doorsnede van een gevelbekleding met horizontaal geplaatste gevelbekledingselementen

De aanwezigheid van voegen tussen de elementen van de gevelbekleding volstaat doorgaans niet om de volledige gevelbekleding gelijkmatig te ventileren. De luchtsnelheid en het luchtdebiet moeten bijgevolg verhoogd worden door middel van extra openingen aan de onder- en bovenzijde van het gevelbekledingsysteem, alsook onder en boven elke muuropening (zie afbeelding 3). De grootte van de ventilatieopeningen wordt bij voorkeur afgestemd op de hoogte van de gevelbekleding. Bij gebrek aan andersluidende specifieke voorschriften van de fabrikanten verwijzen we naar de voorschriften uit de TV 243.

Naast het voorzien van openingen aan de onder- en bovenzijde van de gevelbekleding moet er tevens gezorgd worden voor een goede luchtcirculatie tussen de gevelbekleding en het regenscherm (of de isolatie). Indien de gevelbekleding uit verticaal geplaatste elementen bestaat, is het aanbevolen om zowel een latwerk als dwarslatten te gebruiken om de continuïteit van de ventilatie aan de achterzijde van de gevelbekleding veilig te stellen (zie afbeelding 2).

Om het binnendringen van insecten, vogels of kleine knaagdieren in de luchtspouw te vermijden, wordt aanbevolen om deze af te sluiten met een roestvast of gegalvaniseerd stalen beschermingsrooster. Hierbij moet men er wel op toezien dat de goede werking van de ventilatie niet in het gedrang komt (bv. via een geperforeerd hoekprofiel, zie afbeelding 2).

We herhalen dat het regenscherm de volgende twee functies vervult:
  • bijdragen tot de regendichtheid van de draagmuur en de afvoer van het eventueel aanwezige vocht naar buiten
  • beperken van de eventuele convectie binnenin en rondom de isolatie en bescherming van de isolatie.
Het regenscherm moet op ononderbroken wijze (i.e. met een overlapping van 10 tot 15 cm of met een waterdichte verbinding, zie WTCB-Dossiers 2013/1.4) tegen de isolatie geplaatst worden langs de zijde van de luchtspouw. Dit scherm moet niet alleen water- en winddicht zijn, maar ook dampdoorlatend (µd- of sd-waarde van minder dan 0,5 m) om eventueel damptransport van binnen naar buiten niet te verhinderen. Er wordt aanbevolen om steeds een regenscherm te plaatsen.


Technische specificaties 'buitenisolatie'

De Federale Overheidsdienst Economie is belast met het beheer van de STS (Eengemaakte technische specificaties). Momenteel wordt onder andere gewerkt aan een STS betreffende systemen voor de buitenisolatie van gevels (STS 71-2). Dit kunnen klassieke gevelbekledingen op stijl- en regelwerk met isolatie tussenin (deel 3: voorhanggevels), buitenisolatiesystemen met bepleistering of een isolatie met een buitenspouwblad in metselwerk zijn. Het is echter de ambitie van de STS om ook het voorschrijven van alle andere systemen voor de buitenisolatie van gevels – met inbegrip van innovatieve systemen – mogelijk te maken.
I. Knoops, arch. ing., onderzoeker, laboratorium Dak- en gevelelementen, WTCB
F. Caluwaerts, ing., hoofdadviseur, afdeling Technisch advies, WTCB