Ondermetselen of onderschoeien van bestaande funderingen

De WTCB-werkgroep Beschoeiingen beëindigde onlangs de opstelling van twee nieuwe uitvoeringsfiches over het ondermetselen en het onderschoeien van bestaande funderingen. Deze werkgroep begeleidt een lopend prenormatief onderzoeksproject rond beschoeiings- en onderschoeiingstechnieken dat gesubsidieerd wordt door het NBN en de FOD Economie. Deze twee nieuwe fiches kaderen in de reeks uitvoeringsfiches over funderingstechnieken die het WTCB opstelde in samenwerking met de sector.

Toepassingsgebied en uitvoering

Boven- en zijaanzicht van een beschoeide put (onderschoeien)
Boven- en zijaanzicht van een beschoeide put (onderschoeien)
Twee mogelijke technieken voor het verdiepen van doorlopende funderingszolen of -platen zijn het ondermetselen of het onderschoeien door middel van beschoeide putten.

De verdieping van de bestaande fundering van een constructie kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn in de volgende situaties:
  • het bestaande gebouw wordt uitgebreid en het draagvermogen of de diepte van de bestaande fundering moet vergroot worden
  • er wordt een ondergrondse constructie opgetrokken naast de bestaande fundering. De funderingsverdieping moet de stabiliteit van de bestaande fundering tijdelijk en/of permanent garanderen. De verdiepte fundering doet tijdens de uitvoering van de naastliggende ondergrondse bouwwerken bovendien dienst als tijdelijke grondkering
  • het draagvermogen van de bestaande fundering is niet verzekerd volgens de normaal vereiste veiligheidsmarge (bv. bij historische gebouwen). In dit geval moet tijdens de werkzaamheden bijzondere aandacht besteed worden aan de stabiliteit van het bestaande gebouw.
Bij beide technieken worden onder de bestaande fundering relatief smalle grondstroken (doorgaans 1 m en soms tot 1,5 m breed) weggegraven. Aangezien de belasting die zich boven een uitgegraven strook bevindt via gewelfwerking moet overgedragen worden naar de naastgelegen zones, verloopt de uitvoering van de funderingsverdieping in verschillende fases.

Omdat er bij beide technieken manuele interventies plaatsvinden in de uitgegraven strook, is de techniek enkel toepasbaar indien het grondwaterpeil zich minstens 0,5 m onder het maximale uitgravingspeil bevindt – eventueel na bemaling – en de grond over een minimale tijdelijke cohesie beschikt.

Bij ondermetselen is de uitgravingsdiepte en dus de funderingsverdieping beperkt tot 1,20 m onder het aanzetpeil van de bestaande fundering. Onmiddellijk nadat de strook uitgegraven is, wordt er een nieuw funderingselement uit metselwerk opgetrokken tot tegen de bestaande fundering.

Bij onderschoeien wordt de uitgraving laagsgewijs uitgevoerd (per 40 cm) en wordt er systematisch een beschoeiing en schoring aangebracht over de volledige putomtrek (i.e. beschoeide put, zie afbeelding) waardoor de fundering meer verdiept kan worden (3 tot 6 m is courant, maar ook dieptes tot 15 m of meer zijn mogelijk). Nadat de strook tot op de gewenste diepte uitgegraven is, wordt er een nieuw funderingselement uit gewapend beton of staalvezelbeton gegoten dat aangewerkt wordt tot tegen de bestaande fundering.

Aandachtspunten

De funderingsverdieping moet goed aansluiten op de bestaande fundering en de achtergelegen grond om zettingen te beperken.

Indien er langs de bestaande constructie en dus langs de verdiepte fundering een uitgraving gerealiseerd wordt, dient de horizontale en verticale stabiliteit van de verdiepte fundering (en dus het bestaande gebouw) verzekerd te zijn. Men dient steeds een steek van minstens 0,5 m te voorzien (zie afbeelding). In bepaalde gevallen is een bijkomende horizontale ondersteuning (bv. ankers) nodig.

Zelfs indien men deze technieken nauwgezet toepast, blijven zettingen onvermijdelijk. Zettingen van 10 à 15 mm bij ondermetselen en van 10 mm bij een onderschoeiing zijn niet abnormaal.

Tijdens het uitvoeren van de onderschoeiing moet de stabiliteit van de uitgraving en de veiligheid van de arbeiders te allen tijde gegarandeerd worden. De werkzaamheden dienen in overeenstemming te zijn met de veiligheidsvoorschriften (ARAB) en in het bijzonder met de voorschriften uit het NAVB dossier 96 ‘Werken langs en in sleuven’.


N. Huybrechts, ir., afdelingshoofd, en G. Van Lysebetten, ir., onderzoeker, afdeling Geotechniek, WTCB



Via de WTCB-Mail blijft u op de hoogte van de verschijning van de Infofiches die bij dit artikel horen.