Toleranties op afgewerkte wanden van gipsblokken

1 | Niet-dragende binnenwand uit gipsblokken (Bron foto : Isolava)
Gipsblokken worden omwille van hun eenvoudige verwerkbaarheid vaak ingezet voor het optrekken van niet-dragende binnenwanden in gebouwen (zie afbeelding 1). Dankzij hun tand- en groefverbinding kunnen deze blokken vrij strak uitgelijnd worden, wat niet alleen de plaatsing vereenvoudigt, maar ook resulteert in een wand die – zonder het aanbrengen van een traditionele binnenbepleistering (waardoor de hoeveelheid bouwvocht vermindert) – voldoende vlak en glad gemaakt kan worden om een verdere afwerking toe te laten. Dit neemt niet weg dat de afdeling Technisch advies soms toch geconfronteerd wordt met situaties waarbij de opdrachtgever niet tevreden is over de afwerking van de binnenwanden. In voorkomend geval dient nagegaan te worden of de uitvoering weldegelijk beantwoordt aan de gangbare toleranties.

1. Referentiedocumenten

De geharmoniseerde norm NBN EN 12859, die de basis vormt voor de CE-markering, handelt over gipsblokken met een minimale dikte van 50 mm (met uitzondering van verdiepingshoge elementen).

Deze blokken worden verwerkt met behulp van een lijm die beantwoordt aan de eisen uit de norm NBN EN 12860.

De norm NBN EN 15318 beschrijft op zijn beurt de niet-dragende binnenwanden die met gipsblokken opgetrokken kunnen worden en vervolgens zonder traditionele bepleistering en na een eventuele voorbereiding verder afgewerkt kunnen worden.

Er bestaat vooralsnog geen TV die specifiek aan dit onderwerp gewijd is (*). Als uitgangspunt zou men hiertoe wel een beroep kunnen doen op een aantal buitenlandse referentiedocumenten zoals de Franse DTU 25.31 en de Nederlandse Nationale Beoordelingsrichtlijn BRL 1014.

2. Toleranties op de gipsblokken

De toleranties die gelden op de afmetingen van de gipsblokken zijn opgenomen in tabel A.

In de hiervoor vermelde Europese normen worden er daarentegen geen richtlijnen gegeven omtrent de toelaatbaarheid van eventuele gebreken (bv. luchtholten, afgebroken randen) in de gipsblokken. Voor meer informatie over dit onderwerp kunnen we verwijzen naar de BRL 1014, die aangeeft dat de zichtbare oppervlakken voldoende glad moeten zijn en dat de aanwezige oneffenheden verwijderd moeten kunnen worden. De gipsblokken moeten op het moment van levering bovendien vrij zijn van gebreken (zie tabel B en afbeelding 2).

A | Toleranties op de afmetingen van de gipsblokken volgens de norm NBN EN 12859
Kenmerk Tolerantie
Dikte ± 0,5 mm
Lengte ± 5 mm
Hoogte ± 2 mm
Vlakheid (vol-gens de diagonaal) 1 mm
2 | Maximale omvang van een beschadiging overeenkomstig de BRL 1014

B | Toelaatbare onvolkomenheden in gipsblokken volgens de BRL 1014
Luchtbellen Op een oppervlak van 1 dm² (100 cm²) mogen er maximaal 4 luchtbellen ≥ 4 mm en ≤ 15 mm waargenomen worden. Luchtbellen < 4 mm worden buiten beschouwing gelaten.
Scheuren Scheurvorming is niet toegestaan.
Groeven in het zichtvlak In het zichtvlak mogen niet meer dan twee groeven voorkomen met een diepte tot 5 mm en een maximale breedte van 5 mm (gemeten op het breedste punt van de groef).
Aanzienlijke beschadiging in het zichtvlak of de profilering De omvang van een beschadiging in een gipsblok moet beperkt blijven tot maximaal 10 cm³. Dit kan gemeten worden overeenkomstig afbeelding 2 en berekend worden met behulp van de volgende formule: (p x q x r)/2.

3. Uitvoeringsaspecten

Tijdens het optrekken van de wand moeten de lijmresten ter hoogte van de voegen vóór hun volledige uitharding verwijderd worden met een pleisterspaan. Hierbij worden de voegen tussen de blokken met de lijm afgestreken en kan men ook reeds overgaan tot het wegwerken van kleine onvolkomenheden. Grotere beschadigingen kunnen tijdens of na het optrekken gedicht worden met een gips- of lijm-gipsmengsel.

Indien de wand na het afstrijken van de voegen nog niet glad genoeg is om verder afgewerkt te worden, kan het oppervlak al dan niet volledig voorzien worden van een zeer dun laagje afwerkpleister. Deze werkwijze wordt vaak aangeduid als 'affilmen'. In het bijzonder bij wanden met naderhand opgevulde uitsparingen (bv. voor de elektrische of sanitaire leidingen) kan een dergelijke behandeling noodzakelijk zijn om een voldoende glad oppervlak te bekomen. Deze werkzaamheden dienen te geschieden op een droge en ontstofte ondergrond. Om het affilmen te vereenvoudigen, stopt men bij het opvullen van de uitsparingen best iets onder het oppervlak. Indien de wand verder afgewerkt wordt met tegels, wordt het affilmen normaliter achterwege gelaten.

4. Toleranties op wanden van gipsblokken

C | Vlakheidstoleranties op een afgewerkte wand van gipsblokken
Onder de lat van … Tolerantie
0,2 m (ter hoogte van de voegen) 1 mm
2 m 5 mm
Tot op heden zijn er in de normen nog geen dimensionale toleranties voor voltooide wanden van gipsblokken terug te vinden. Uitgaande van de buitenlandse referentiedocumenten (BRL 1014 en DTU 25.31), de dimensionale toleranties op de gipsblokken (zie tabel A) en de ervaring, zou men volgens ons in deze context de waarden uit tabel C moeten respecteren. Op die manier sluiten de toleranties – met uitzondering van de toleranties onder de lat van 0,2 m – aan op de toleranties die van toepassing zijn voor de 'normale' afwerkingsgraad voor traditionele binnenbepleisteringen (zie hiervoor de TV 199).

5. Verdere afwerking

Het belang van de oppervlakteafwerking van de wand is afhankelijk van de aard van de later aan te brengen bekleding.

Indien de wand voorzien zal worden van een betegeling, vormt het respecteren van de uitvoeringstoleranties een bepalende voorwaarde om de vereiste tolerantieklasse op de afwerking te kunnen behalen (vooral voor grootformaattegels). Het uitzicht en de homogeniteit van het wandoppervlak spelen in dit geval een minder belangrijke rol.

Deze laatste vormen wel een aandachtspunt indien men de wand wenst af te werken met een satijn- of glansverf. Desgevallend strekt het dan ook tot aanbeveling om een effenings-laag toe te passen (zie § 3).

Het schilderen van de wanden dient te gebeuren volgens de voorschriften uit de TV 249 en dit, rekening houdend met de voorziene uitvoeringsgraad van de schilderwerken. Alvorens men overgaat tot de schilderwerken is er een voorbehandeling vereist (zie tabel D).

D | Door de schilder uit te voeren voorbereidende en afwerkingsbehandelingen
Door de schilder uit te voeren voorbereidende
en afwerkingsbehandelingen
Uitvoeringsgraad (¹)
I II III
1. Borstelen en/of ontkorrelen en/of ontstoffen (indien nodig) X X X
2. Stoppen   X X
3. Volvlakkig plamuren     X
4. Schuren en ontstoffen     X
5. Grondlaag X X X
6. Plaatselijk bijplamuren   X  
7. Schuren en ontstoffen (op de bijgeplamuurde plaatsen)   X  
8. Grondlaag (op de bijgeplamuurde plaatsen)   X  
9. Tussenlaag   (²) X
10. Afwerkingslaag X X X
(¹) De oranje kolom stemt overeen met de uitvoeringsgraad die de schilder dient te beschouwen bij gebrek aan andersluidende voorschriften in het bijzondere bestek.
(²) Een tussenlaag kan nodig zijn naargelang van de aan te brengen kleur en de aard van de ondergrond. Deze behandeling wordt uitgevoerd in samenspraak met de voorschrijver.

6. Beoordeling van het oppervlak

De visuele beoordeling van de binnenwanden dient te gebeuren loodrecht op het te controleren oppervlak, bij daglicht, met het blote oog en vanop een afstand van 2 m. Ze mag in geen geval uitgevoerd worden bij scherende lichtinval. De hierbij waargenomen onvolkomenheden kunnen vervolgens met objectieve methoden opgemeten worden en vergeleken worden met de desbetreffende toleranties en contractuele eisen.

In deze context hebben we er reeds meermaals op gewezen dat het gebruik van de term 'schilderklaar' voor de aanduiding van de toestand van het te beschilderen oppervlak onvoldoende eenduidig is en bijgevolg beter vermeden wordt (zie hiervoor de TV's 199 en 249).


Volledig artikel


Y. Grégoire, ir.-arch., afdelingshoofd, afdeling Materialen, WTCB
J. Wijnants, ing., afdelingshoofd, afdeling Technisch advies, WTCB

Dit artikel werd opgesteld met de steun van:
  • de FOD Economie, in het kader van de Normen-Antenne Afwerkingen
  • het IWT, in het kader van het traject Metselwerk IV: Innovaties in de metselwerksector: implementering door innovatievolgers
  • de DG06, in het kader van de Technologische Dienstverlening COM-MAT – Matériaux et techniques de construction durables.
(*) Wanden van gipsblokken vallen buiten het toepassingsgebied van de TV 233, maar worden in de TV's 199 en 249 wel als mogelijke ondergrond vermeld.