Cementgebonden afschotlagen op platte daken 2014/02.05

In de TV 215 wordt aangeraden om bij platte daken steeds een afschot van minstens 2 % te voorzien teneinde de normale afwatering naar de afvoerpunten te waarborgen en belangrijke plasvorming te vermijden (zie hieromtrent ook het artikel 'Waterstagnaties op platte daken' uit WTCB-Dossier 2013/4.7). In voornoemde TV worden verschillende mogelijkheden beschreven om dit afschot te realiseren. In dit artikel wordt de aandacht toegespitst op cementgebonden afschotlagen.
Er bestaan verschillende soorten cementgebonden afschotlagen. In dit artikel worden echter enkel afschotlagen uit andere materialen dan structuurbeton beschouwd, zoals dekvloermortel, mager beton (met een beperkte cementhoeveelheid), licht beton (granulaten deels vervangen door lichte granulaten), schuimbeton (met een gasvormend middel) en isolerende mortel (met lichte isolerende granulaten).

Voor- en nadelen

Cementgebonden afschotlagen hebben als voordeel dat ze de realisatie van een toereikende helling (en bijgevolg een doeltreffende waterafvoer) mogelijk maken, ongeacht de vormgeving van de dakvloer. Daar staat tegenover dat ze een niet te verwaarlozen gewicht kunnen hebben en bij hun plaatsing een aanzienlijke hoeveelheid bouwvocht kunnen bevatten. Om bouwvocht-insluitingen tegen te gaan en een correcte droging naar binnen toe mogelijk te maken, worden cementgebonden afschotlagen dan ook rechtstreeks op de betonnen dakvloer aangebracht.

Hechting en cohesie

De wind-effecten op het platte dak veroorzaken een onderdruk, die meestal aangrijpt op de dakafdichting en aan de onderliggende lagen doorgegeven wordt. De onderlinge hechting en cohesie van de verschillende lagen is voor gekleefde systemen dan ook van groot belang. Bij een ontoereikende cohesie tussen de lagen kan de goede hechting bovendien niet gewaarborgd worden.

De leden van het Technisch Comité Dichtingswerken hebben onze aandacht gevestigd op het feit dat het verkrijgen van een goede oppervlaktecohesie bij de hier beschouwde cementgebonden afschotlagen in de praktijk niet altijd even vanzelfsprekend is. Dit om de volgende redenen:
  • bij bezonning tijdens of net na de uitvoering kan het oppervlak te snel beginnen uit te drogen, waardoor de goede hydratering van het cement in het gedrang komt en er een stoffig oppervlak kan ontstaan
  • voornamelijk afschotlagen uit schuimbeton bevatten een hoog gehalte aan aanmaakwater en zijn daarom zeer gevoelig voor nachtvorst
  • bij beregening tijdens of net na de uitvoering kan het oppervlak verpulveren. Bij regenval tussen de uitvoering van de afschotlaag en de plaatsing van het dampscherm kunnen de poreuzere afschotlagen (bv. uit schuimbeton) bovendien vrij veel vocht opnemen. Dit kan ertoe leiden dat hun oppervlak onvoldoende opgedroogd raakt om de goede hechting van de eventuele primer en het dampscherm te garanderen.

Belang van de uitvoerings-omstandigheden

Uit het voorgaande blijkt dat de uitvoerings-omstandigheden van de hier besproken cementgebonden afschotlagen zeer belangrijk zijn en dat een aantal voorschriften strikt nageleefd moeten worden om de gewenste prestaties te verkrijgen (bv. niet storten bij vries- of regenweer of wanneer er kort na de uitvoering regen of vorst verwacht wordt). In de praktijk kunnen de werkzaamheden echter niet altijd onder dergelijke ideale weersomstandigheden uitgevoerd worden.

In de TV 215 wordt aanbevolen om poreuze en weersgevoelige materialen (bv. licht- en schuimbeton) steeds af te werken met een goed hechtende 20 mm dikke afstrijklaag uit cementmortel. Deze afstrijklaag kan de wateropname immers enigszins beperken. Uit de ervaring is echter gebleken deze dunne mortellagen zelf ook onderhevig kunnen zijn aan onthechting (ten gevolge van thermische werking en krimp).

Bij niet-optimale klimatologische omstandigheden lijkt het ons dan ook beter om te opteren voor een minder weersgevoelig afschotmateriaal, zoals een dekvloermortel, een mager beton, isolatieplaten met een geïntegreerde helling, of eventuele andere systemen waarvan de geschiktheid voor dit gebruik aangetoond werd.

1 | Onthechting van de afdichting door de ontoereikende oppervlaktecohesie van het schuimbeton
2 | Verpulvering van het oppervlaktelaagje van een cementgebonden afschotlaag

Besluit

Lichte en poreuze cementgebonden afschotlagen (zoals schuimbeton) zijn gevoelig voor de weersomstandigheden. Bij beregening tijdens of enkele dagen na de uitvoering kan het oppervlak ervan immers verpulveren of een aanzienlijke hoeveelheid vocht opnemen. Dit zorgt ervoor dat het niet altijd mogelijk is om de toereikende verkleving van het dampscherm of de afdichting op een dergelijke ondergrond te waarborgen.

In aanwezigheid van materialen met een ontoereikende cohesie dient men de voorkeur te geven aan een losliggend en geballast of desnoods een mechanisch tot in de dakvloer bevestigd afdichtingssysteem.

E. Mahieu, ing., adjunct-afdelingshoofd, afdeling Interface en consultancy, WTCB
E. Noirfalisse, ir., adjunct-laboratoriumhoofd, laboratorium Isolatie- en dichtingsmaterialen, WTCB