Waterdichte en goed geïsoleerde muurvoeten: toegankelijk voor iedereen 2014/01.06

Door de toenemende thermische prestatie-eisen die opgelegd worden aan gebouwen, past men alsmaar grotere isolatiediktes toe in de vloeren en spouwmuren. Hierdoor ontstaan er echter hoogteverschillen die de toegankelijkheid in het gedrang kunnen brengen. Om hieraan te verhelpen, streeft men vaak een zo klein mogelijk hoogteverschil na tussen de binnen- en de buitenverharding. Dit kan op zijn beurt aanleiding geven tot vochtproblemen. In dit artikel wordt toegelicht hoe men waterinfiltraties kan voorkomen, zonder in te boeten aan toegankelijkheid.
Het toenemende aantal prestatie-eisen dat aan gebouwen wordt opgelegd, zorgt vooral ter hoogte van de gevelvoet van traditionele spouwmuren wel eens voor extra moeilijkheden om de continuïteit van de prestaties (stabiliteit, thermische isolatie, water- en luchtdichtheid, akoestische isolatie, toegankelijkheid…) te waarborgen.

Bovendien neemt niet enkel het aantal, maar ook het niveau van de eisen steeds toe en dient men rekening te houden met alsmaar strengere reglementeringen inzake brand, thermische isolatie … Ook toegankelijk en aanpasbaar bouwen maakt het onderwerp uit van nieuwe regelgeving (zie www.toegankelijk.be en www.construire-adaptable.be).

In de praktijk stelt men vast dat bouwschade vaker het gevolg is van anomalieën ter hoogte van de bouwknopen dan in de lopende delen. Niet zelden blijken de prestatie-eisen precies ter hoogte van de gevelvoet moeilijk met elkaar te verzoenen wanneer men voor elke eis het hoogste niveau nastreeft.

De opvatting en uitvoering van deze bouwknoop vormt dan ook niet alleen een nieuwe uitdaging voor de ruwbouwaannemer zelf, maar ook voor de algemene aannemer die zorgt voor de coördinatie tussen de verschillende vaklieden die de bouwknoop mee tot stand brengen.

Met of zonder isolerend bouwblok?

1 | De lengte van de weg van de minste weerstand (rode lijn) moet groter dan of gelijk zijn aan 1 meter
Om de warmteverliezen via de muurvoet te beperken en een koudebrug te vermijden, wordt vaak gebruikgemaakt van een isolerend bouwblok (1) onderaan de draagmuur. Deze toepassing is evenwel beperkt door de drukweerstand van het bouwblok. Bij de berekening van de sterkte van het metselwerk dient men onder meer rekening te houden met de invloed van het isolerende bouwblok, de metselstenen en de mortel (zie WTCB-Dossiers nr. 2011/04.05).

Het gebruik ervan wordt om deze reden doorgaans beperkt tot gebouwen met maximaal drie verdiepingen (vier bouwlagen), afhankelijk van de eigenschappen van de metselstenen en mortel of lijm.

Bij hogere gebouwen en bij gebouwen waarvan het binnenspouwblad betonnen kolommen of verdiepingshoge panelen bevat, dient men ervoor te zorgen dat de lengte van de 'weg van de kleinste thermische weerstand' minstens één meter bedraagt (zie afbeelding 1) omdat hier geen continuïteit bestaat tussen de isolatielagen in de gevel en deze in de vloeropbouw. Bij het niet naleven van dit principe zal de muurvoet sterk afkoelen tijdens de koudere seizoenen. In combinatie met een minder gunstig binnenklimaat kan dit resulteren in oppervlaktecondensatie, hygroscopiciteit en uiteindelijk in schimmelvorming.

Verzekeren van de water- en luchtdichtheid

Een ontoereikende spouwdrainering geeft bij sterk aan slagregen blootgestelde gevels vaak aanleiding tot infiltraties. De voet van de draagmuur kan ook bevochtigd worden door de toevoer van grondvocht en/of door zijdelings infiltrerend oppervlaktewater (via de aanaarding en/of de buitenverharding).

  1. Vochtbestendig isolatiemateriaal
  2. Membraan met gelaste of gekleefde naden
  3. Spouwdrainering
  4. Isolerend bouwblok
  5. Anticapillaire barrière
  1. Cementering of luchtdichtheidsfolie
  2. Akoestische isolatie
  3. Plasticfolie
  4. Eventueel horizontaal membraan
2 | Detaillering van een muurvoet met verhoogde thermische prestaties

Om de waterdichtheid ter hoogte van de muurvoet te garanderen, dient men verschillende membranen te voorzien (zie afbeelding 2). De bovenzijde van de betonnen draagvloer dient zich steeds hoger te situeren dan het maaiveld of de verharding rond het gebouw. Het membraan voor de spouwdrainering (3) moet bovendien een voldoende opstand hebben om te voorkomen dat het overbrugd wordt (bv. door mortelresten in de spouw).

Het ingegraven deel van de muurvoet wordt beschermd door een membraan (2) dat opgetrokken wordt tegen de buitenzijde van het isolerende bouwblok (zodat dit blok ook beschermd wordt). De naden in dit membraan moeten steeds gekleefd of gelast worden en vergen bijgevolg een specifieke uitvoering. Het is belangrijk dat de continuïteit van de verschillende membraandelen gegarandeerd wordt ter hoogte van de overgang tussen de raam- en deuropeningen en de rest van de gevel (zie afbeelding 3 en Infofiche 20).

3 | Bescherming van de muurvoet door middel van een membraan met gelaste naden

Hogerop wordt in de spouwmuur een drainering voorzien (3) die het spouwwater naar buiten afvoert boven het niveau van het maaiveld. Deze kan tussen twee isolatielagen ingeklemd of verkleefd worden en hoeft niet tot aan de draagmuur te lopen. De isolatieplaten kunnen hiervoor recht of schuin afgesneden worden. De naden in het membraan van de spouwdrainering kunnen overlappend uitgevoerd of verlijmd worden. Deze werken worden gerealiseerd door de aannemer van de metselwerken. Boven dit membraan worden in het gevelmetselwerk open stootvoegen voorzien (1/3 stootvoegen) die zijn vrijgemaakt tot op de spouwdrainering (de lintvoeg moet onderbroken worden) en die in geen geval afgedicht mogen worden door latere verhardingen of aanvullingen. Soms voorziet men enkel in het gevelmetselwerk nog een extra horizontaal membraan (9) boven de open stootvoeg om te voorkomen dat de (vooral lichtgekleurde) bakstenen langdurig donker zouden verkleuren.

Langs de binnenzijde wordt de luchtdichtheid verzekerd door de gipsgebonden bepleistering en de betonnen draagvloer. Wanneer ter hoogte van de plint een anticapillaire barrière voorzien werd (5), kan de continuïteit van de luchtdichtheid ofwel verkregen worden met een membraan of een dunlagig aangebracht vloeibaar product ofwel door middel van een vochtbestendige muurvoetbepleistering (bv. luchtdichte cementering, 6) met een voldoende dikte (zie WTCB-Dossier 2013/3.9).

Nastreven van een voldoende hoogteverschil

Zoals hiervoor aangegeven werd, situeert de buitenverharding of aanaarding zich omwille van de waterdichtheid (2) bij voorkeur lager dan het niveau van de bovenzijde van de betonnen draagvloer. Hierdoor ontstaat er echter een hoogteverschil van 20 tot 30 cm tussen de binnenvloer en de verharding rond het gebouw, wat toegankelijkheidsproblemen met zich meebrengt.

Om de integrale toegankelijkheid van het buitenschrijnwerk te waarborgen, moet aan drie voorwaarden voldaan worden:
  • de toegang moet goed bereikbaar zijn
  • het buitenschrijnwerk moet betreedbaar zijn en het hang- en sluitwerk moet eenvoudig te bedienen zijn
  • de hoogteverschillen mogen niet groter zijn dan 20 mm.
Indien men de opstand tussen de binnen- en de buitenomgeving uit toegankelijkheidsoverwegingen verlaagt, neemt het risico op waterinfiltraties toe (zowel via de ruwbouw als via het schrijnwerk) en dient men bijzondere aandacht te besteden aan de detaillering. Om het risico op waterinfiltratie te beperken, zou men het niveau van de verharding of aanaarding rond het gebouw enkel ter hoogte van de toegang (voordeur) kunnen verhogen (zie WTCB-Dossiers 2006/4.4 en 2007/1.12). In de praktijk verkiest men echter vaker om de niveauverschillen over de gehele omtrek van het gebouw te reduceren.

  1. Vochtbestendig isolatiemateriaal
  2. Membraan met gelaste of gekleefde naden
  3. Spouwdrainering
  4. Isolerend bouwblok
  5. Anticapillaire barrière
  6. Cementering of luchtdichtheidsfolie
  1. Akoestische isolatie
  2. Plasticfolie
  3. Lijnafwatering (enkel in de deuropening)
  4. Drainering
  5. Luchtdichtheidsfolie
  6. Voordeur
4 | Verticale doorsnede ter hoogte van de gevel (links) en ter hoogte van de voordeur (rechts)

In dit geval mag men niet zomaar op het onderste membraan (met gelijmde of gelaste naden, zie nr. 2 in afbeelding 4) rekenen om de waterdichtheid te verzekeren, aangezien de aanhechting van dit membraan op de ondergrond (betonnen draagvloer) doorgaans niet bestand is tegen waterdruk. Om deze reden zal men tegen de gevelvoet een drainering (10) voorzien om te voorkomen dat er bij regenweer een tijdelijke waterdruk zou ontstaan waardoor het in de grond gedrongen regenwater het membraan kan omzeilen.

Deze drainering bestaat uit drie elementen, namelijk een collectorbuis, een drainerend materiaal en een filterdoek, die alle drie aangepast zijn aan de eigenschappen van de grond. De verzamelbuis (collector) moet steeds onder een voldoende helling geplaatst worden (0,5 % tot 1 % en nooit in tegenhelling), zodat de stroomsnelheid van het water voldoende hoog is. Ter hoogte van de deuropening (12) kan men de waterafvoer nog verbeteren door een lijnafwatering (9) of goot te voorzien. Verder dient men erop toe te zien dat de verhardingen rond het gebouw een helling van minstens 1,5 % vertonen (weg van de gevel).

Onderaan de gevel gebruikt men vochtbestendige isolatieplaten (bevochtiging kan immers niet uitgesloten worden). Wanneer men grote belastingen verwacht naast de gevel (bv. door verkeer), moet men erop toezien dat het spouwgedeelte onder de spouwdrainering volledig opgevuld is met drukvaste isolatieplaten die voorkomen dat het gevelmetselwerk onderaan naar binnen gedrukt wordt bij belasting van de grond. Als alternatieve oplossing kan men het gevelmetselwerk onder het maaiveld ook vervangen door (beton)blokken met een grotere breedte.

Ook bij een goed toegankelijke detaillering dient men vooral ter hoogte van de deur-opening aandacht te besteden aan de continuïteit van de luchtdichtheid. Schrijnwerkelementen met een vast onderprofiel scoren op dit vlak beter, hetgeen overigens ook de waterdichtheid ten goede komt. Het vaste onderprofiel vormt evenwel een drempel voor rolstoelgebruikers. We willen erop wijzen dat er systemen op de markt zijn die met een geringe drempelhoogte (≤ 20 mm) toch een aanslag voor de luchtdichtheid voorzien. Bovendien zijn deze profielen vaak thermisch onderbroken.

Besluit

Het vraagt specifieke aandacht om ter hoogte van de gevelvoet en de deuropening te beantwoorden aan de verschillende prestatie-eisen die aan hedendaagse gebouwen gesteld worden. Aangezien vrijwel iedere gevelvoet uniek is, worden in dit artikel een aantal principes en denkpistes aangereikt die men bij de opvatting kan hanteren om tot een juiste afstemming van deze prestatie-eisen te komen. Een dergelijk detail vraagt een goede coördinatie van de verschillende ambachtslieden die instaan voor de realisatie van de bouwknoop. Waar dit bij de opvatting van nieuwe gebouwen reeds heel wat aandacht vereist, is de uitdaging bij de renovatie van bestaande gebouwen vanzelfsprekend nog groter.
(1) Om te voldoen aan de EPB-eisen voor bouwknopen, dienen de eigenschappen van het isolerende bouwblok in overeenstemming te zijn met de drie volgende eisen:
  • de warmtegeleidbaarheid λ van het isolerende bouwblok moet kleiner dan of gelijk zijn aan 0,2 W/mK
  • de warmteweerstand R van het isolerende deel mag niet kleiner zijn dan de helft van het kleinste van de warmteweerstanden van de isolatielagen van de vloer en gevel (met een bovengrens van 2 m²K/W)
  • de contactlengte mag nooit kleiner worden dan de helft van het kleinste van de dikte van het isolerende deel of de aansluitende isolatielaag.
(2) We beschouwen hier de regendichtheid van het gelijkvloers. Afhankelijk van de vereiste waterdichtheidsklasse van de kelder kunnen aanvullende maatregelen vereist zijn, zoals een drainering of een kimplaat ter hoogte van de aansluiting tussen de keldermuur en de betonnen draagvloer.