Tussen ruwbouw en afwerking: evolutie van de materialen en hun karakteristieken 2014/01.04

Eenmaal de ruwbouw- en isolatiewerkzaamheden achter de rug zijn, gaat de aandacht naar de afwerking van de binnenruimten. Doorgaans is het – om verschillende redenen (luchtdichtheid, thermische en akoestische isolatie, toleranties …) – echter onmogelijk om rechtstreeks een afwerkingslaag aan te brengen op de ruwbouwelementen en moeten er aangepaste tussenlagen voorzien worden (bv. een dekvloer of bepleistering). De wijzigingen in het bouwproces onder invloed van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen en de steeds strenger wordende reglementeringen oefenen bovendien een invloed uit op de karakteristieken en de uitvoering van deze tussenlagen en brengen in sommige gevallen ook nieuwe vormen van pathologie met zich mee.

Evolutie naar zwevende dekvloeren

Vóór de invoering van de EPB-regelgeving werden vloeren nauwelijks thermisch geïsoleerd en werden de dekvloeren rechtstreeks op de draagvloer aangebracht (eventueel met tussenplaatsing van een kunststoffolie). Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen werd er een zwevende dekvloer voorzien op een dunne laag thermische of akoestische isolatie. De meest frequente schadegevallen met dekvloeren die destijds gemeld werden bij het WTCB, betroffen het ontstaan van scheuren in de dekvloer en het minder cohesief zijn van het oppervlak van de dekvloer.

1 | Dekvloer met plaatselijk minder cohesieve zones

Scheurvorming in dekvloeren is vaak het gevolg van de onvermijdelijke krimpwerking van de dekvloer tijdens de droging. Een beperkte oppervlaktecohesie van de dekvloer (zie afbeelding 1) is op haar beurt veelal te wijten aan een onaangepaste samenstelling of onvoldoende verdichting van de dekvloermortel en/of aan een te snelle droging van het dekvloeroppervlak. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de dekvloer uitgevoerd wordt in een gebouw dat nog niet luchtdicht is. Steeds vaker worden ook warmtekanonnen of luchtontvochtigers gebruikt om de drogingstermijnen zo kort mogelijk te houden en het bouwtempo te bevorderen. Door het inzetten van dergelijke toestellen neemt de kans op een te snelle droging van de dekvloer echter toe.

Tegenwoordig dient men om akoestische en energetische redenen normaliter steeds een akoestische en/of thermische isolatie te voorzien in de vloeropbouw. Deze wordt doorgaans rechtstreeks aangebracht op de draagvloer of op een uitvullingslaag die op deze laatste aangebracht werd (en waarin de leidingen vervat zitten). De dekvloer wordt vervolgens aangebracht op deze isolatielaag. We spreken in dit geval van een zwevende dekvloer.

In de TV 193 en het WTCB-Dossier 2009/3.15 gaf het WTCB reeds aan dat de realisatie van een zwevende dekvloer delicater is. Daarom worden voor dit soort dekvloeren ook een aantal bijkomende plaatsingsrichtlijnen voorgeschreven. Zo dienen zwevende dekvloeren steeds uitgerust te zijn met een wapening die aangebracht wordt tussen het onderste derde en de helft van de dikte van de dekvloer. Deze wapening moet de opgewekte spanningen in de dekvloer verdelen en de vervormingen van de dekvloer (bv. krimp en uitzetting) opvangen en overbrengen naar de verdeelvoegen. Daarnaast moet de dekvloer ook onderverdeeld worden in velden met een oppervlakte van maximaal 50 m² (40 m² voor verwarmde vloeren), een lengte van maximaal 8 m en een lengte/breedteverhouding van maximaal 2/1. Verder worden er ook eisen gesteld aan de samendrukking van de (thermische) isolatie onder de dekvloer (zie WTCB-Dossier 2010/4.12). Hierbij wordt de samendrukking vaak beperkt tot een zeker percentage van de oorspronkelijke dikte van het isolatiemateriaal en worden er ook eisen gesteld aan de absolute vervorming van de isolatie (in mm).

Aangezien de mechanische karakteristieken de belangrijkste eigenschap van de (zwevende) dekvloer zijn, is een goede samenstelling van deze laatste van primordiaal belang. Voor de realisatie van een zwevende dekvloer wordt doorgaans minstens 250 kg cement per m³ zand gebruikt. Het aangewende zand mag niet te fijn zijn (zie TV 189, afbeelding 7), vermits dit de krimpwerking van de dekvloer kan bevorderen. We raden aan om zand te gebruiken met een granulometrie van minstens 2/5.

Een belangrijk bijkomend aandachtspunt voor de realisatie van een zwevende dekvloer met toereikende mechanische eigenschappen is de verdichting of compactering van de dekvloermortel. Deze bewerking is immers moeilijker te realiseren op een onderlaag die een zekere samendrukking kan ondergaan en grotere onvlakheden kan vertonen (bv. bij onderlagen uit niet-vlakgeschuurd gespoten polyurethaanschuim). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de afdeling Technisch advies regelmatiger schadegevallen te zien krijgt waarbij de zwevende dekvloer een te beperkte mechanische sterkte heeft om er bijvoorbeeld een betegeling, parket of soepele vloerbekleding hechtend op aan te brengen. Dit gebrek aan cohesie kan gecontroleerd worden aan de hand van een ponsproef voor dekvloeren.

Naar onze mening ligt een onvoldoende verdichting van de dekvloer vaak aan de basis van dergelijke schadegevallen. Bij zwevende dekvloeren die in één laag aangebracht worden, stellen we immers vaker vast dat het onderste gedeelte minder goed verdicht is. Aangezien de wapening zich bij deze dekvloeren net in dit onderste gedeelte bevindt en steeds goed ingebed moet zijn om optimaal te functioneren, kan dit een probleem vormen. Zoals reeds aangegeven werd in de TV 189 en 193 over dekvloeren, dient een gewapende dekvloer dan ook normaliter aangebracht te worden in twee, 'nat in nat' aangebrachte, goed gecompacteerde lagen waartussen de wapening ingebed wordt.

Vermits men vanaf eind 2020 enkel nog bijna-energieneutrale gebouwen zal mogen realiseren en ook de eisen op akoestisch gebied steeds strenger worden, zal de dikte van de isolatie onder de zwevende dekvloeren de komende jaren ongetwijfeld nog toenemen. Hierdoor zal de realisatie van zwevende dekvloeren met een voldoende grote mechanische sterkte nog delicater worden. Het is dan ook raadzaam om de bovenvermelde richtlijnen, die in de toekomst mogelijk nog zullen verstrengd of aangevuld worden, strikt na te leven.

2 en 3 | Scheurvorming in een vloerbetegeling met thermische blokken onder het raam. De scheurvorming verloopt in het verlengde van de binnenzijde van de isolerende blokken

  1. Thermisch isolerend bouwblok
  2. Scheurvorming
  3. Dekvloer
4 | Doorsnede aansluiting tussen de vloer, de muur en het schrijnwerk
Ook andere wijzigingen in het bouwproces kunnen leiden tot nieuwe vormen van schade aan de dekvloer en soms ook aan de vloerafwerking die erop aangebracht werd. Zo werden in een bepaald bouwproject onderaan de muurvoeten thermisch isolerende blokken gebruikt om de continuïteit tussen de vloerisolatie en de muurisolatie te realiseren (zie afbeelding 4). Daarnaast werd er ook geopteerd voor vensters tot op vloerniveau en werd het schrijnwerk zo ver mogelijk naar buiten geplaatst (vensters in het verlengde van het gevelvlak). Als gevolg hiervan moest de dekvloer doorgetrokken worden over de thermisch isolerende blokken om de betegeling te kunnen uitvoeren tot tegen het raam.

Naar aanleiding van differentiële vervormingen tussen het gedeelte van de dekvloer op de isolatie en het gedeelte op de thermisch isolerende blokken, ontstond er scheurvorming in de dekvloer in het verlengde van de binnenzijde van de thermisch isolerende blokken. Deze werd vervolgens ook zichtbaar in de vloerbetegeling en uitte zich in de vorm van een scheur in de tegelvloer parallel met de vensters (zie afbeeldingen 2 en 3).

Teneinde vochtinfiltraties uit te sluiten, is het ons inziens raadzaam om het buitenschrijnwerk niet in het gevelvlak te voorzien, maar het iets meer naar binnen (achter de slag) te plaatsen. Om scheurvorming in de tegelvloer te vermijden, laat men het binnenvlak van het schrijnwerk liefst samenvallen met het binnenvlak van de thermisch isolerende blokken. Indien dit niet mogelijk is, voorziet men een bewegingsvoeg in de dekvloer en in de betegeling in het verlengde van de binnenzijde van de thermisch isolerende blokken. In de ontwerpfase kan men dan voorzien dat deze voeg in het verlengde van de binnenzijde van de muren komt te liggen en kan men het tegelpatroon hierop afstemmen.

Ecologisch verantwoorde binnenbepleisteringen

In onze huidige samenleving wordt het milieu hoog in het vaandel gedragen. Velen opteren dan ook voor bouwmaterialen die meer ecologisch verantwoord zijn en een zo gering mogelijke voetafdruk op het milieu nalaten. Zo wordt in sommige gevallen voor een leembepleistering gekozen in plaats van voor een traditionele gipsbepleistering. Deze bepleisteringen bestaan doorgaans uit een grondlaag op basis van zand, klei en stro waaraan nog toeslagstoffen kunnen toegevoegd worden zoals hennephout of natuurlijke kleurpigmenten en een fijnere eindlaag uit klei, zand, marmermeel, cellulose en natuurlijke pigmenten (deze eindlaag kan ook op andere ondergronden aangebracht worden). Dergelijke leembepleisteringen worden soms verondersteld om warmtevasthoudende en vochtregulerende eigenschappen te hebben. Dit houdt echter niet in dat er bijvoorbeeld geen aandacht meer dient besteed te worden aan het binnenklimaat of aan het vochtgehalte van de ondergrond en de bepleistering op het moment van het aanbrengen van het pleister.

5 | Krimpscheuren in een leembepleistering

Afbeelding 5 toont een leembepleistering die aangebracht werd op snelbouwmetselwerk. Door de overmatige en vroegtijdige krimpwerking van de leembepleistering is deze laatste gaan scheuren en is ze ten slotte losgekomen. De oorzaak kan toegeschreven worden aan een sterk absorberende ondergrond in combinatie met een groot aanvangsvochtgehalte van het pleister en/of een snelle droging op het moment van de uitvoering van het pleisterwerk en meteen nadien. Ook de gevoeligheid van dit pleistertype voor een droger binnenklimaat speelt een rol. In deze specifieke situatie werd de leembepleistering aangebracht in een ruimte met een vrij droog binnenklimaat (er waren vóór aanvang van de pleisterwerken gedurende een lange periode luchtontvochtigers aanwezig in de ruimte). Dit heeft waarschijnlijk geleid tot een snellere droging van de leembepleistering met het ontstaan van krimpscheuren tot gevolg.

Omwille van zijn gevoeligheid voor een droger binnenklimaat met een relatieve luchtvochtigheid die schommelt rond de grens van 30 %, is het gebruik van dit pleistertype in goed geventileerde woningen niet altijd raadzaam. Deze woningen worden gedurende koude perioden immers doorgaans gekenmerkt door een droger binnenklimaat en een lagere relatieve luchtvochtigheid.

Het uitzicht van geschilderde dunne bepleisteringen op gipsblokwanden

Om het bouwtempo op te drijven, worden steeds vaker binnenwanden gerealiseerd met gelijmde gipsblokken (grotere elementen, snelle verlijming). Vermits dergelijke wanden minder onvlakheden kennen dan traditioneel metselwerk, worden ze vaak voorzien van een dunne vliespleister (maximaal 2 à 3 mm dik) die nadien geschilderd wordt.


6 | Oneffenheden in het pleister worden zichtbaar bij scherende belichting
Na de uitvoering van deze werkzaamheden krijgen we soms klachten over het uitzicht van de wanden (golvingen, onvlakheden). Dit is vooral het geval wanneer een glanzende verf aangebracht werd en/of indien de wanden sterk belicht worden van buitenaf (wat vaak het geval is, gezien de huidige woningen steeds grotere glaspartijen hebben) of door een muurverlichting.

Men moet er rekening mee houden dat geringe onvlakheden in het oppervlak van dergelijke gipsblokwanden nooit helemaal vermeden kunnen worden en ook niet altijd volledig kunnen weggewerkt worden in de dunne vliespleister of bij de voorbereidende werkzaamheden die uitgevoerd worden door de schilder. Men treft op dergelijke wanden dan ook vaak repetitieve kleinere golvingen aan van vaak zeer kleine oneffenheden (in tegenstelling tot traditionele bepleisteringen waarbij de golvingen zich doorgaans uitspreiden over grotere lengtes en de onvlakheden meestal iets groter zijn). Onder een scherende wandbelichting (zie afbeelding 6) kunnen echter zelfs onvlakheden van enkele tienden van een millimeter sterk opvallen (vooral bij verven met een hoge glansgraad). We zijn dan ook van mening dat een beoordeling van het wandoppervlak bij scherend licht te streng is en dat men bij dergelijke wanden tolerant moet zijn voor geringe onvlakheden. Wanneer gebruikgemaakt wordt van een muurverlichting en/of de wanden regelmatig onderhevig zijn aan een scherende lichtinval, is het bijgevolg raadzaam om te opteren voor een matte verf – waardoor de onvermijdelijke geringe onvlakheden minder in het oog zullen springen – of voor een ander afwerkingstype.

We kunnen tot slot stellen dat de wijzigende bouwmethodes en de nieuwe schadegevallen die ermee gepaard kunnen gaan, ook een invloed uitoefenen op de keuze, de karakteristieken en de uitvoering van de tussenlagen. Het valt dan ook te verwachten dat de vereisten met betrekking tot dergelijke tussenlagen in de (nabije) toekomst nog aangescherpt zullen worden.