Nuttige informatie
Contact
J. Desmyter
C. Decaesstecker  

(info@bbri.be)

Nuttige documenten
Houten trappen. Brussel, WTCB, Technische Voorlichting, nr. 198, 1995

Toegankelijkheid van trappen 2004/04.06

Trappen vormen vaak een belangrijke hindernis voor personen met beperkingen. Daarom moet men vanaf het ontwerp van de trap voldoende rekening houden met het gebruikscomfort, de veiligheid en de aanpasbaarheid ervan.
De lange versie van dit artikel omvat commentaren op § 2.4.2 van TV 198 en tracht - door te verwijzen naar enkele andere naslagwerken - aanbevelingen te formuleren om te komen tot een 'toegankelijke trap' :

  • een rechte steektrap verdient de voorkeur
  • de trap moet voldoende breed zijn (85 tot 90 cm) en voorzien van stootborden
  • de optreden (1) zouden overal even hoog (max. 18 cm) moeten zijn en de aantreden (2) even diep (min. 22 cm, liever ³ 28 cm)
  • het aantal treden in een traparm dient beperkt te worden (12 tot 17 treden)
  • overstekende trapneuzen (3) zijn afgeraden (een schuin tredenprofiel is beter). De trapneus wordt best voorzien van een contrasterende, voelbare en brede strip (± 5,5 cm) (4)
  • de trap moet aan beide zijden uitgerust worden met continue leuningen en handgrepen, die aan elke overloop verlengd worden. De trapleuning zou idealiter de traphelling (5) moeten volgen. Verder dient men voldoende afstand te voorzien tussen de handgreep, de wand en de leuningdrager
  • men moet naast de hoofdleuning (op een hoogte van 90 tot 100 cm) ook een bijleuning voorzien (op een hoogte van 60 tot 75 cm)
  • brede trappen moeten door tussenliggende leuningen in kanalen onderverdeeld worden
  • het trapoppervlak moet slipvrij zijn. Tactiele markering en kleurcontrast kunnen aangewend worden om de trap, treden, leuning en handgreep te laten opvallen. Trappenhuizen dienen goed verlicht te worden.
Bij het ontwerp en de maatvoering van de trap moet men voldoende rekening houden met de functie van het gebouw. Van openbare gebouwen mag men uiteraard meer verwachten.




J. Desmyter, ir., en C. Decaesstecker, ir.