'Gelijmd' baksteenmetselwerk 2004/04.03

Bij het ontwerp en de uitvoering van 'gelijmd' baksteenmetselwerk (zie WTCB-Tijdschrift 4/2001), een techniek die steeds vaker en met succes toegepast wordt, moet men voldoende aandacht schenken aan de technische bijzonderheden. Momenteel werkt het WTCB in samenspraak met de sector aan de opstelling van een TV hieromtrent, die een referentiedocument zal vormen voor de gebruikers en de ontwerpers. Dit artikel vat kort een aantal praktische aanbevelingen samen.

1. Keuze van de materialen

  • Dimensionale aspecten van de bakstenen : afhankelijk van de voorgeschreven dikte van de mortelvoeg dient men speciale eisen te stellen aan de afmetingen van de bakstenen om hun goede plaatsing te bevorderen. De aanbevelingen hieromtrent staan momenteel nog ter discussie, maar zullen waarschijnlijk weinig verschillen van de waarden uit onderstaande tabel.

    Laboratoriumproeven tonen aan dat het risico op vorstschade (stagnatie van water in de perforaties en scheurvorming in geval van vorst) bij geperforeerde baksteen in gelijmd metselwerk groter is dan in traditioneel metselwerk. Dit type schade werd echter niet vastgesteld in de praktijk.

  • Verenigbaarheid baksteen/mortel - Hechtsterkte : de studie ter bepaling van de invloed van de materiaaleigenschappen op de initiële hechtsterkte en de hechtsterkte na veroudering (vorst, temperatuur) toont aan dat er in het algemeen weinig ernstige hechtingsproblemen ontstaan. Aan de hand van deze studie konden criteria voorgesteld worden met betrekking tot de materiaalkeuze (o.a. initiële hechtsterkte en hechtsterkte na versnelde veroudering) ter verwezenlijking van een optimale duurzaamheid (minimale eis van 1 N/mm² of breuk van de baksteen tijdens een trekproef door afrukking en behoud van deze minimale hechtsterkte na verouderingsproeven). Men zou eveneens een criterium kunnen opstellen met betrekking tot het minimale harsgehalte van de mortel (≥ 1 %) om te kunnen spreken van een mortellijm.

2. Uitvoering

  • Uitvoeringstechniek : hoewel het verlijmen van de bakstenen normaalgesproken gebeurt met een pomp en een pistool, laten bepaalde mortelfabrikanten ook het gebruik van troffels toe. De keuze is afhankelijk van de aanbevelingen van de fabrikant, de omvang van de werken, de lengte van de legvlakken, de bijzondere geveldetails (veel openingen, …) en de ervaring van de vakman.

  • Klimaatvoorwaarden : net zoals bij traditioneel metselwerk dient men bijzondere voorzorgen te treffen als men de verlijming uitvoert bij warm weer (rechtstreekse bezonning vermijden). In dit geval is ook het risico op een slechte werking van het materieel (pomp, pistool) groter. Om de goede uitvoering van de mortellijm te bevorderen, moet men een voldoende lange open tijd in acht nemen, evenals de verwerkingstijd die door de fabrikant voor welbepaalde klimaatvoorwaarden voorgeschreven werd.

3. Duurzaamheid

  • Eerste barrière tegen slechte weersomstandigheden : het gevelmetselwerk, of het nu met traditionele mortel of met mortellijm geplaatst wordt, moet aangevuld worden met een luchtdichte binnenmuur. Bij gelijmd metselwerk met open stootvoegen kan hierlangs eventueel water binnendringen na de vorming van een ononderbroken waterfilm op de gevel. De bakstenen moeten vooraf aan het oppervlak verzadigd worden. Het verschijnen van de waterfilm zal dan meer vertraagd worden naarmate de buffercapaciteit van de bakstenen hoger is. Dit risico doet zich vooral voor in de winter (blijvende bevochtiging). De doeltreffende drainering van het water dat in de spouw binnendringt, is dan erg belangrijk : zorgvuldige plaatsing van de dichtingsmembranen ter hoogte van de onderbrekingen van de spouw, voldoende opening van de stootvoegen en verwijdering van de overtollige mortel die de waterafvoer uit de spouw zou kunnen verhinderen.

    De hoekzones van de gebouwen die het zwaarst blootgesteld worden aan slechte weersomstandigheden (regen en wind), vertonen een redelijk ingewikkelde luchtstroom in de spouw. In extreme gevallen - gebouw dat erg blootstaat aan regen en uitgevoerd werd met bakstenen zonder buffercapaciteit (bv. erg poreuze bakstenen met een zwakke capillaire absorptie) en met open stootvoegen - is het daarom aanbevolen bijzondere constructieve maatregelen te treffen om de bevochtiging van de isolatie te vermijden (bv. compartimentering van de spouw).

  • Beperkt risico op uitbloeiingen : aan de hand van de laboratoriumproeven en de verouderingssite, ontwikkeld ten behoeve van het onderzoek, hebben we kunnen vaststellen dat het gedrag ten opzichte van uitbloeiingen sterk verbeterd is dankzij de mortelkarakteristieken en de dunne uitvoeringsdikte. Uit een enquête bij de aannemers blijkt dat er slechts in een zeer beperkt aantal gevallen uitbloeiingen optreden tijdens of na de werken.





Y. Grégoire, ir.-arch., in samenwerking met Ch. de Bueger, ir.