Vochtproblemen in hellende daken voorkomen 2013/03.05

Het risico op inwendige condensatie in hellende daken is in grote mate afhankelijk van de keuze van het onderdak en de lucht- en dampdichtheidsprestaties van de dakopbouw. Dit onderwerp kwam reeds uitgebreid aan bod in de Infofiche nr. 12 uit 2004. Naar aanleiding van een recent onderzoek werd er intussen een nieuwe classificatiemethode voor onderdaken en de luchtdichtheid van geïsoleerde hellende daken ingevoerd. Deze classificatie heeft tot gevolg dat men bij de isolatie van een hellend dak voortaan ook zal moeten zorgen voor de luchtdichte afwerking ervan.

Historiek

De tot op heden in de WTCB-documenten gehanteerde grondslag voor het hygrothermische ontwerp van hellende daken werd gelegd in de jaren 70 en 80.

Op basis van een recent onderzoek in samenwerking met de UGent heeft het WTCB – na overleg met de sector via het TC Dakbedekkingen – beslist om deze methodiek enigszins te actualiseren.

Luchtdichtheidsklassen voor hellende daken

In het verleden ging men er vaak verkeerdelijk vanuit dat het volstond om een lucht- en dampscherm te voorzien om de luchtdichtheid van het dak te waarborgen. Hierbij werd uit het oog verloren dat de nagestreefde luchtdichtheid mede valt of staat met de correcte afwerking van de voegen en de aansluitingen. Dit is een van de redenen waarom er in de vernieuwde methodiek eveneens de nodige aandacht besteed wordt aan de continuïteit van het lucht- en dampscherm.

Om te garanderen dat er bij de keuze van het onderdak en het lucht- en dampscherm voldoende rekening gehouden zou worden met de reële graad van luchtdichtheid, werd er een pragmatische classificatie ontwikkeld met drie luchtdichtheidsniveaus.

De klasse L0, waarbij er geen aandacht geschonken wordt aan de luchtdichtheid, is – gelet op het ermee verbonden schaderisico – in principe niet meer aanvaardbaar voor verwarmde gebouwen.

De klasse L1 laat toe om een theoretisch luchtdichtheidsniveau te bereiken en dit, door het respecteren van een aantal eenvoudige basisregels (zie lang artikel).

De klasse L2 kan ten slotte verkregen worden na de uitvoering van een pressurisatieproef. Een dergelijke proef heeft tot doel om onvermijdelijke lekken op te sporen en deze in de mate van het mogelijke te corrigeren. Door de beheersing van het uitvoeringsproces zou men een systematische beproeving op termijn kunnen vermijden.

Keuze van het type lucht- en dampscherm voor geïsoleerde hellende daken aan de hand van het type onderdak en het binnenklimaat
Type onderdak Binnenklimaat Type luchtscherm Type dampscherm
S1
0,05 m < sd ≤ 0,5 m
KK1 L1 (basisregels) E1 (2 m < sd ≤ 5 m)
KK2 L1 (basisregels) E1 (2 m < sd ≤ 5 m)
KK3 L2 (pressurisatieproef) E2 (5 m < sd ≤ 25 m)
KK4 (*) L2 (pressurisatieproef) Studie vereist
S2
sd ≤ 0,05 m
KK1 L1 (basisregels) E1 (2 m < sd ≤ 5 m)
KK2 L1 (basisregels) E1 (2 m < sd ≤ 5 m)
KK3 L1 (basisregels) E1 (2 m < sd ≤ 5 m)
KK4 (*) L2 (pressurisatieproef) Studie vereist
(*) Voor de binnenklimaatklasse KK4 wordt aangeraden om het lucht- en dampscherm te plaatsen op een continue ondergrond (bv. plaatmateriaal).

Vernieuwde methodiek om vochtproblemen te vermijden

De luchtdichtheid van de dakopbouw is zonder twijfel een zeer belangrijke parameter. Dit geldt echter evenzeer voor de keuze van het onderdak. Om de drogingscapaciteit van het dak niet in het gedrang te brengen, wordt aanbevolen enkel te werken met dampopen onderdaken, d.w.z. van het type S1 (sd,onderdak ≤ 0,5 m) of het type S2 (sd,onderdak ≤ 0,05 m). Onderdaken met een sd-waarde van meer dan 0,5 m worden momenteel ten stelligste afgeraden.

Om vochtproblemen als gevolg van waterdampdiffusie doorheen het dak te vermijden, dient men erop toe te zien dat de dampdiffusieweerstand van de samenstellende lagen van binnen naar buiten toe afneemt. De lagen die zich aan de warme zijde van de isolatie bevinden, moeten met andere woorden over voldoende dampremmende eigenschappen beschikken (d.w.z. fungeren als dampscherm).

Bovenstaande tabel geeft weer hoe men het type lucht- en dampscherm voor geïsoleerde hellende daken kan bepalen aan de hand van het type onderdak en het binnenklimaat.

Besluit

Dit korte artikel licht reeds een tipje van de sluier op over de vernieuwde methodiek om vochtproblemen in hellende daken te vermijden. In de lange versie zal dieper ingegaan worden op de keuze van het onderdak en de lucht- en dampdichtheidsprestaties van de dakopbouw.

Volledig artikel binnenkort beschikbaar



F. Dobbels, ir.-arch., projectleider, afdeling Energie en gebouw, WTCB
P. Steskens, dr. ir., projectleider, laboratorium Energiekarakteristieken, WTCB
A. Janssens, dr. ir.-arch., UGent