Plaatsingswijzen en toegankelijkheidseisen voor schrijnwerk 2013/01.08

We halen in dit artikel de moeilijkheden aan die men kan ondervinden bij de plaatsing van buitenschrijnwerk in houtbouw. We bespreken onder meer de problemen in verband met de bevestiging, de aanwezigheid van rolluiken en zonneweringen, de lucht- en waterdichtheid en de toegankelijkheid en reiken mogelijke oplossingen aan.
In houtskeletwanden met houten I-liggers waarvan de diepte kan oplopen van 300 tot 400 mm, kan men twee plaatsingswijzen voor buitenschrijnwerk overwegen:
  • plaatsing met behulp van schroeven en steunblokjes of afstandschroeven
  • plaatsing met een luchtdichte omkasting.
Bij een plaatsing met schroeven brengt men een dampdichte luchtdichtheidsfolie aan over de volledige omtrek van het raamkader. Voor thermisch onderbroken aluminium kaders of PVC kaders bestaan er luchtdichtheidsfolies die aan het vaste raamkader geklikt worden. Het vrije gedeelte van de luchtdichtheidsfolie mag in geen geval doorboord worden.

Plaatsing van schrijnwerk met luchtdichte omkasting
1a | Voor de neg 1b | Achter de neg
  1. Dampopen bitumineuze houtvezelplaat
  2. Lucht- en dampdichte plaat
  3. Waterscherm
  4. Dampdichte luchtdichtheidsfolie
  1. LVL-plaat of Ι-liggers voorzien van een versteviging in hout, LVL of multiplex
  2. Bitumineuze houtvezelplaat
  3. Dampopen isolatie of gespoten PUR
  4. Omkasting

  1. Gipsplaat
  2. Lichtdichte lijm of kit
  3. Voorgecomprimeerde PE band
  4. Venstertablet
  5. Voorzetzonnewering
  6. Gevelkit
  7. Open stootvoeg

De plaatsing kan ook uitgevoerd worden met behulp van een luchtdichte omkasting (zie afbeelding 1), opgebouwd uit luchtdicht met elkaar verbonden luchtdichte platen (hier multiplexplaten van 22 mm met een kwaliteit volgens de norm EN 636-2). Om de luchtdichtheid van de (geïsoleerde) zone van ongeveer 2 cm tussen de omkasting en de houtskeletwandopening te waarborgen, zal men – vóór de uitvoering van de leidingspouw en de dagkantafwerking rondom het venster – een lucht- en dampdichte folie aanbrengen langs de binnenzijde. Bij gebruik van een omkasting moet de neg minstens 8 cm en soms zelfs 10 cm bedragen om de 'traditionele' overlapping van het vaste profiel door de neg van 4 cm te behouden. Bij een houtskeletmuur met houten I-liggers dienen deze laatste in de houtskeletwandopening te worden voorzien van een versteviging in hout, LVL (gelamineerd fineertimmerhout, zie NBN EN 14279) of multiplex. De I-liggers kunnen ook vervangen worden door LVL-platen of massiefhouten regels.

Eventuele zonnewering- of rolluikkasten worden bij voorkeur in voorbouw geplaatst vóór het raamkader in de dagopening (zie afbeelding 1a). Indien men niet wenst dat deze kasten zichtbaar zijn van buitenaf, kan men ze in voorbouw plaatsen achter de neg (zie afbeelding 1b). Als alternatief kan men ook opteren voor een geïsoleerde inbouwrolluikkast (met of zonder zonnewering).

Om de goede luchtdichtheid van de deuren te garanderen in constructies met een hoge thermische isolatie, dient de cilinder meerdere sluitpennen te bedienen en moet de ophanging verzekerd worden met meer dan drie scharnieren. Er worden haken of sluitpunten geplaatst tussen de scharnieren om te voorkomen dat de deurprofielen buitensporig zouden vervormen. In het onderste gedeelte moeten zowel de continuïteit als de samendrukking van de dichtingsvoegen efficiënt zijn. Hiertoe kan men onderaan een vast profiel aanbrengen dat evenwel de toegankelijkheid van het gebouw zal beperken.

Bij de plaatsing van venster- en schuifdeuren waarbij het raamkader op de isolatie steunt, dient dit kader een drukweerstand van meer dan 1 N/mm² te hebben (NBN EN 826). De positionering van de (venster)deuren in houtbouw wordt bemoeilijkt door het feit dat de onderregel van de houtstructuur zich meer dan 20 cm boven het afgewerkte buitenvloerpeil moet bevinden (zie p. 12-15). Om het gebouw toch vlot toegankelijk te maken, dient men het buitenplatform voor de ingang te voorzien van een draineringsrooster ter hoogte van de dorpel (zie WTCB-Dossiers nr. 2006/4.4 en 2007/1.12). Indien het peil van de onderregel te hoog is voor deze oplossing, dient men deze te onderbreken en de dorpel op een isolatiemateriaal te plaatsen.