Verticaal transport in woningen 2012/04.18

Naar aanleiding van de toenemende vergrijzing en de kosten voor de samenleving die ermee gepaard gaan, tracht men ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen. Deze zelfstandigheid wordt tijdens de laatste levensjaren vaak bepaald door hun vermogen om bepaalde niveauverschillen (drempels) of trappen zelfstandig te overbruggen. In dergelijke omstandigheden kan de plaatsing van een stoeltjeslift, hefplateau of lift een oplossing bieden.
De keuze voor een bepaalde oplossing is afhankelijk van verschillende factoren:
  • de omgeving waarin het toestel geplaatst moet worden

  • persoonsgebonden factoren die bepalen of een bepaald toestel (ook op langere termijn) de meest geschikte oplossing is

  • de beschikbare toesteltypes

  • de voorwaarden die de subsidiërende instanties opleggen (om aanspraak te kunnen maken op een financiële tegemoetkoming).
In het kader van aanpasbaar bouwen kan het zinvol zijn om de nodige bouwkundige voorzieningen te treffen om een dergelijk toestel in een latere fase te kunnen plaatsen. In het WTCB-Dossier op onze website wordt hier dieper op ingegaan (zie kader).

De toestellen voor het overbruggen van hoogteverschillen kunnen onderverdeeld worden in toestellen die aan de liftenrichtlijn (95/16/EG, inclusief aanpassingen) moeten beantwoorden en toestellen die enkel moeten voldoen aan de machinerichtlijn (2006/42/EG). Een van de criteria om niet onder de liftenrichtlijn te vallen, is de snelheid. Zo zijn hijs- of hefwerktuigen met een maximumsnelheid van 0,15 m/s geen liften maar machines. Binnen de toestellen die vallen onder de machinerichtlijn kan men in grote lijnen een onderscheid maken tussen verticale hefplateaus, hefplateaus met hellende baan en trapliften of stoeltjesliften.

De Europese norm NBN EN 81-70 geeft de veiligheidsregels op voor een toegankelijke lift. Dit document bevat tal van eisen die de goede toegankelijkheid van de lift moeten verzekeren, waaronder de kooiafmetingen en de vrije doorgangsbreedte van de liftdeur. We beschouwen als voorbeeld een lift van 110 cm breed en 140 cm diep en een vrije doorgangsbreedte voor de liftdeur van 90 cm. Dit kooitype verzekert volgens de norm een goede toegankelijkheid voor zowel manuele rolstoelen (NBN EN 12183) als elektrische rolstoelen van type A of B (NBN EN 12184).

Om de minimumwaarden voor de kooi en de vije doorgangsbreedte uit de norm te kunnen respecteren, is het belangrijk dat de liftschacht, de schachtkop, de schachtput en de machinekamer correct gedimensioneerd worden. De enige norm die hiervoor afmetingen opgeeft, is de norm ISO 4190-1 (zie tabel).

Deze norm is echter onvolledig aangezien er belangrijke gegevens ontbreken voor de maatvoering (bv. de ruwbouwmaten van de deuropening). Uit een vergelijking van deze tabel met de informatie van de fabrikanten blijkt dat er bovendien regelmatig afgeweken wordt van de opgesomde waarden. De voornaamste afwijkingen betreffen:
  • uitvoeringsvarianten van fabrikant

  • de frequente plaatsing van liften zonder machinekamer

  • de vermindering van de afmetingen van d3 (diepte liftput) en h1 (uitloophoogte) bij de plaatsing van nieuwe liften in bestaande gebouwen (volgens het KB van 6/12/2005).
Afmetingen uit de norm ISO 4190-1 voor een elektrische lift met kooiafmetingen 110 x 140 cm, een vrije doorgangsbreedte van de liftdeur van 90 cm en een snelheid van 1 m/s (¹), zie afbeelding
b1 (²) Breedte liftkooi 110 cm b3 Schachtbreedte 170 cm
b2 (²) Breedte liftdeur 90 cm b4 Breedte machinekamer 190 cm
d1 (²) Diepte liftkooi 140 cm d3 Diepte liftput 140 cm
d2 Schachtdiepte 190 cm d4 Diepte machinekamer 370 cm
h1 Uitloophoogte 370 cm h3 (²) Hoogte liftdeur 210 cm
h2 Hoogte machinekamer Nationaal bepaald h4 (²) Hoogte liftkooi 220 cm
(¹) De vermelde waarden zijn de minimumafmetingen van de ruwbouwmaten. Het gaat hier dus telkens om een toelaatbare grensmaat naar onderen. Voor gebouwen met minder dan 20 verdiepingen wordt K = 50 mm voorgesteld als de toelaatbare afwijking naar boven.

(²) Dit zijn de maten van de lift zelf (het product) en niet de ruwbouwmaten.


Schematische voorstelling van de lift uit de bovenstaande tabel
Daarenboven zal men in het kader van aanpasbaar bouwen of woningaanpassing zelden voldoende ruimte hebben voor het plaatsen van een lift. Zelfs met een gereduceerde liftput en uitloophoogte is er nog steeds meer ruimte nodig voor het plaatsen van een lift (liftenrichtlijn) dan voor het plaatsen van een verticaal hefplateau (machinerichtlijn). Men kiest ook vaak voor een zo klein mogelijke 'drager' (de kooi/het plateau). Voor rolstoelgebruikers kan men in de norm NBN EN 81-41 (2011) de volgende afmetingen terugvinden:
  • 90 cm x 140 cm voor een rolstoel van type A of B met begeleider
  • 80 cm x 125 cm voor een rolstoel van type A zonder begeleider.
De 'drager' van verticale hefplateaus is vaak niet volledig omsloten, hetgeen bij liften wel het geval is. Dit zorgt opnieuw voor plaatsbesparing, maar vereist ook een dode­mansbediening (constant ingedrukt houden van de bedieningsknop) bij het gebruik van het toestel.


Volledig artikel


S. Danschutter, ir.-arch., projectleider, laboratorium Duurzame ontwikkeling, WTCB