Bevestiging van metalen dakbedekkingen met staande naad op houten ondergronden 2012/04.06

Er bestaan tegenwoordig heel wat meer bouwmethoden en soorten ondergronden voor metalen daken (bv. uit koper, zink of roestvrij staal) dan vroeger (zie WTCB-Digest nr. 11). Bovendien werd de oude windberekeningsnorm in december 2010 vervangen door Eurocode 1 (NBN EN 1991-1-4) en zijn nationale bijlage. De dimensionering van het bevestigingssysteem blijft dan ook een zeer actueel onderwerp.

Systeem van daken met staande naad

Bij dit systeem worden geprofileerde metalen bladen of banen met elkaar verbonden door middel van een felsnaad. De bladen of banen worden aan de ondergrond bevestigd met vaste klangen en schuifklangen die opgenomen zijn in de felsnaad.

De platen moeten zodanig bevestigd worden dat ze nog vrij kunnen bewegen. Onder invloed van temperatuurveranderingen kan het metaal immers achtereenvolgens uitzettings- en krimpfasen ondergaan:
  • de zijdelingse uitzetting wordt mogelijk gemaakt door een 3 tot 5 mm brede gleuf te voorzien aan de voet van de voeg

  • de bewegingen in de lengte worden mogelijk gemaakt door de correcte positionering van de vaste klangen en schuifklangen.
Per blad moeten er minstens vijf vaste klangen voorzien worden (afhankelijk van de helling te plaatsen in de zone tussen de nok en het midden van de baan en hoogstens op 10 m van de druiplijn voor zink of 15 m voor inox), de rest wordt vastgemaakt met schuifklangen. De vaste klangen verhinderen het afglijden van de platen en de schuifklangen laten de uitzetting van het metaal toe.

Aantal bevestigingsklangen


In vergelijking met daken die bedekt zijn met zware, kleine elementen zoals dakpannen of leien, hebben de metalen bladen slechts een beperkt eigengewicht en dragen ze dus niet bij tot de stabilisatie van het dak tegen windbelasting. Metalen daken zijn bovendien slechts beperkt luchtdoorlatend (de bladen worden bijna luchtdicht aan elkaar gehaakt) waardoor de windbelasting hoger zal zijn.

De windbelasting varieert volgens de dakzone, de hellingsgraad en het aantal dakschilden. De wind veroorzaakt turbulenties die over- en onderdrukken creëren op het dak. Deze drukken zijn hoger ter hoogte van de hoeken, dakranden en obstakels (schouwen, dakkapellen, ...) dan in het centrale deel van het dakschild. De onderdrukken zijn bovendien intenser op daken met een geringe helling en daken met een enkel dakschild.

Rekening houdend met deze invloedsparameters, geeft de onderstaande afbeelding de aan te houden hart-op-hartafstand weer voor de vaste klangen op daken met een enkel of dubbel dakschild. Afhankelijk van de dakzones bedraagt deze afstand 16,5 cm, 20 cm of 33 cm.

De zonering en klangafstanden werden bepaald aan de hand van proeven en berekend volgens de Eurocode. Ze gelden voor metalen platen van 53 cm breed en gebouwen met een nokhoogte kleiner dan of gelijk aan 30 m die zich in een terrein van ruwheidscategorie I tot IV bevinden. Dit voorstel is geldig voor alle dakopstellingen, ongeacht de helling, de opbouw (warm dak of langs de onderzijde geventileerd dak) en de globale gebouwafmetingen.

Ringnagels
3,0 / 25 mm
Planken 24 mm
OSB 18 mm
Multiplex 15 mm
Schroeven
4,0 / 25 mm
Planken 18 of 24 mm
OSB 15 mm
Multiplex 15 mm
Enkele opmerkingen in verband met de huidige praktijk:
  • de breedte van de dakranden aan de nok en aan de druiplijn bedraagt tegenwoordig vaak slechts 60 cm, hetgeen te beperkt is

  • bij daken met een enkel dakschild dient de afstand tussen de klangen aan de dakranden beperkt te worden tot 16,5 cm.
Deze opmerkingen zijn van toepassing op bevestigingen met behulp van de gebruikelijke roestvrijstalen klangen, op een houten vorm (planken of platen) en onder de in de tabel beschreven omstandigheden. Voor andere soorten klangen of ondergronden verwijzen we naar de voorschriften van de fabrikanten.

Verzorgde uitvoering

Het succes van een esthetisch verantwoorde en duurzame metalen dakbedekking hangt, naast de keuze van het aantal en de juiste positionering van de bevestigingsklangen, vooral af van de zorg die besteed werd aan de uitvoering:
  • de klangvoeten en de koppen van de bevestigingen mogen niet uitsteken boven het oppervlak van de ondergrond: de klangen hebben bij voorkeur voorzieningen om het over elkaar wrijven te beperken (afgeronde hoeken, verstijfde ribben of uitstulpingen die de vervorming van de klang verhinderen)

  • de schoefklangen moeten voorzien zijn van een verzonken schroefgat dat de hoogte van de schroefkop opvangt: de diameter van de kop moet exact overeenstemmen met deze van het schroefgat. Het gebruik van koppen met een andere diameter is uit den boze

  • men mag geen schroeven gebruiken in combinatie met nagelklangen en omgekeerd

  • de nagels en schroeven moeten loodrecht in de voorziene gaten geplaatst worden. Zoniet kan er schade berokkend worden aan de klang en kan de weerstand ervan verminderen.

D. Langendries, ir., adjunct-labohoofd, laboratorium Energiekarakteristieken, WTCB