Normering van zichtbeton in zicht 2012/04.04

Aangezien zichtbeton de mogelijkheid biedt om structurele en esthetische eisen te combineren, wordt het steeds vaker toegepast door architecten. Het gebrek aan objectief meetbare esthetische criteria, de beschrijving van onrealistische eisen in de bestekken en diverse moeilijkheden bij de uitvoering leiden echter steeds vaker tot discussies over de kwaliteit van het eindresultaat. Een toekomstige Belgische normering van zichtbeton en een nieuwe Technische Voorlichting zouden hiervoor een oplossing moeten bieden.

Wat is zichtbeton?

Momenteel wordt voorgesteld om zichtbeton in de toekomstige norm te definiëren als 'ter plaatse gestort beton met een oppervlak dat zichtbaar gelaten is en waaraan esthetische eisen worden gesteld'. Deze nieuwe definitie zou de huidige verwarring tussen sierbeton en zichtbeton de wereld uit moeten helpen. Zichtbeton wordt in deze definitie immers duidelijk omschreven als stortklaar beton, in tegenstelling tot sierbeton dat volgens de PTV 21-601 geprefabriceerd beton is van architectonische of industriële kwaliteit waaraan specifieke eisen gesteld worden.

Architectonisch beton - een andere regelmatig gebruikte term - komt als dusdanig niet voor in referentiedocumenten maar wordt doorgaans gebruikt om geprefabriceerd beton aan te duiden.

Nood aan regelgeving?

Ontwerpers en aannemers hebben veelal uiteenlopende ideeën en verwachtingen in verband met zichtbeton. Deze betonsoort wordt in bestekken bovendien te vaak zeer vaag omschreven als de 'inzet van een gladde bekisting'.

Bij gebrek aan Belgische referentiedocumenten inzake zichtbeton doet men soms een beroep op buitenlandse documenten die weliswaar de nodige interpretatie en achtergrondkennis vragen (zie WTCB-Dossier nr. 2007/4.4).

Kwaliteitseisen en budgetten voor zichtbeton verschillen van gebouw tot gebouw

Om het ambitieniveau van bij de start duidelijk te maken, is het belangrijk dat er normen opgesteld worden die aangeven welke parameters minimaal beschreven dienen te worden in het bestek en welke (haalbare) eisen er gesteld moeten worden. Daarnaast moet men ook kunnen terugvallen op eenduidige evaluatiemethoden om de gestelde eisen objectief te kunnen evalueren bij onenigheid. Het spreekt voor zich dat hogere eisen vertaald zullen worden in een hogere kostprijs. Een eerste beperkte rondvraag geeft aan dat de extra kosten voor de realisatie van zichtbeton kunnen oplopen tot een verdubbeling - en in sommige gevallen zelfs tot een vervijfvoudiging - van de kostprijs per vierkante meter in vergelijking met betonconstructies waaraan geen esthetische eisen gesteld worden.

Hoofdlijnen van de normering

In het huidige normontwerp worden momenteel drie graden van zichtbetonkwaliteit beschreven die moeten toelaten een juiste afweging te maken tussen de esthetische eisen en de kostprijs. Zo zal de bouwheer van een prestigieus museum bijvoorbeeld een hogere kwaliteit eisen - met bijhorende hogere kostprijs - dan de directie van een scholencomplex (zie afbeelding). De beschrijving van de kwaliteit moet ten minste vier aspecten omvatten:
  • de textuur (afwerking van het oppervlak, de hoeken en de randen)
  • de luchtbellen
  • de tintverschillen
  • de geldende toleranties (voor de afmetingen, de vlakheid, enz.).
Naast een kwantificering van de eisen zal de toekomstige norm tevens beschrijven hoe deze eisen nadien beoordeeld moeten worden. We willen erop wijzen dat een beperkt aantal onvolkomenheden tegenover deze eisen niet zonder meer mag leiden tot een negatieve evaluatie van het zichtbeton, maar dat een statistische aanpak aangewezen is.

Daarnaast zal de norm ook indirect aangeven dat bepaalde eisen onhaalbaar zijn: een perfect vlak betonoppervlak dat egaal van kleur is en geen onvolkomenheden vertoont, valt in de praktijk niet te realiseren met zichtbeton en vereist mogelijk een andere materiaalkeuze of een bijkomende afwerking.

Onvolkomenheden zijn onvermijdelijk

Een aantal onvolkomenheden zijn onvermijdelijk en zullen op nagenoeg elke bouwplaats voorkomen. Vaak is het achteraf onmogelijk om de exacte oorzaak te achterhalen, onder meer doordat er verschillende factoren meespelen. Afhankelijk van hun aandeel in het geheel en de (gekwantificeerde) eisen in het bestek, moet geëvalueerd worden of de onvolkomenheden al dan niet aanvaardbaar zijn en eventueel hersteld kunnen worden. Voorkomen is echter steeds beter dan genezen, vooral omdat herstellingen vaak nog in zekere mate zichtbaar blijven.

Ten slotte is het steeds raadzaam om een proefwand te realiseren waarin de voornaamste moeilijkheden van de bouwplaats worden opgenomen. Deze wand zal snel duidelijk maken of de bekisting van voldoende kwaliteit is, of de materialen goed op elkaar zijn afgestemd en of er andere knelpunten zijn.


N. Cauberg, ir., labohoofd, laboratorium Structuren, WTCB
J. Piérard, ir., adjunct-laboratoriumhoofd, laboratorium Betontechnologie, WTCB
J. Wijnants, ing., afdelingshoofd, afdeling Technisch Advies, WTCB