Afb. 1 Scheurvorming in een niet-dragende binnenwand op de verdieping van een appartementsgebouw

Scheurvorming in niet-dragende metselwerkwanden 2012/02.02

In niet-dragende metselwerkwanden kunnen zich scheuren vormen ten gevolge van het doorbuigen van de draagvloer onder de belasting. We geven in dit artikel aan hoe men deze scheurvorming kan voorkomen door de doorbuiging te beperken bij de dimensionering van de draagvloer en tijdens de uitvoering van de werken.
In niet-dragende scheidingswanden uit metselwerk kan een overmatige doorbuiging van de draagvloer aanleiding geven tot scheurvorming. Vaak gaat het om horizontale scheuren onderaan de scheidingswand, die het breedst zijn ongeveer in het midden van de overspanning en niet zichtbaar zijn ter hoogte van de steunpunten van de vloer. In de bovenhoeken kunnen bovendien schuin verlopende scheuren ontstaan die de voegen tussen de metselstenen volgen (zie afbeelding 2). De doorbuiging van een hoger gelegen draagvloer en/of de aanwezigheid van openingen in de wand kunnen zorgen voor een afwijkend scheurpatroon.


Afb. 2 Typisch scheurpatroon voor een wand zonder openingen
Hoewel de voornoemde scheurvorming vrij indrukwekkend kan zijn (scheurbreedtes van 1 tot 2 cm vormen geen uitzondering), brengt ze de stabiliteit van de constructies niet onmiddellijk in het gedrang.

Oorzaak van het fenomeen

De oorzaak van de scheurvorming kan teruggevonden worden in een overmatige ogenblikkelijke en uitgestelde doorbuiging van de draagvloer na de plaatsing van de wanden. Van zodra een draagvloer belast wordt, zal deze een doorbuiging ondergaan. Indien deze belasting aanhoudt, zal de doorbuiging mettertijd nog toenemen onder invloed van kruip, waardoor de totale doorbuiging na verloop van tijd een veelvoud zal vormen van de oorspronkelijke doorbuiging.

Deze aanhoudende doorbuiging creëert verticale trekspanningen in de wand die, wanneer ze de treksterkte van de wand (doorgaans gelijk aan de aanhechting tussen de mortel en de metselsteen) overschrijden, resulteren in scheuren.

Een overmatige doorbuiging is doorgaans te wijten aan een foutieve dimensionering van de draagvloer en/of aan een vroegtijdige of buitensporige belasting ervan.

Preventie

Zoals vermeld wordt in het WTCB-dossiers nr. 2010/4.2, kan het risico op scheuren beperkt worden door de maximale doorbuiging van de draagvloer af te stemmen op de niet-dragende elementen die ermee in verbinding staan.

Dit zal bij de dimensionering resulteren in het beperken van de verhouding overspanning/vloerdikte (L/d). De vereiste vloerdikte zal bepaald worden door het studiebureau.

Daarnaast kunnen ook uitvoeringstechnische aspecten een invloed uitoefenen op de dimensionering van de draagvloer. Zo zal de berekende uitgestelde doorbuiging (kruip) kleiner zijn indien men de vloer slechts later belast (bv. door de bekisting en/of stutten zo laat mogelijk te verwijderen en zo lang mogelijk te wachten met het aanbrengen van zware lasten op de vloer). Anderzijds mag men in geen geval de niet-dragende wanden op de vloer aanbrengen terwijl er nog bekistingen of stutten aanwezig zijn. In voorkomend geval zou de onmiddellijke doorbuiging van de vloer die ontstaat bij het wegnemen van de stutten immers meteen spanningen kunnen creëren.

In theorie zou men de doorbuiging ten gevolge van het uitvoeren van de wanden mede kunnen beperken door de benodigde materialen (metselstenen) reeds vanaf de start van de uitvoering van de wand op de vloer te stapelen.

Wat als er toch scheuren ontstaan ?

Indien er toch scheuren ontstaan, kan de evolutie ervan opgevolgd worden met scheurbreedtemeters. De totale doorbuiging van de draagvloer kan eventueel nagegaan worden door middel van een niveaumeting, hoewel deze geen informatie geeft over de doorbuiging die ontstaan is na het aanbrengen van de wanden. Men kan de opgemeten waarde wel vergelijken met de te verwachten doorbuiging van de vloer (bv. met een controleberekening).

Doorgaans treedt na 5 tot 6 jaar een stabilisatie op van de doorbuiging, waarna de scheuren hersteld kunnen worden. Om te voorkomen dat de scheuren zich, onder invloed van latere trillingen en thermische werking, opnieuw zouden aftekenen, kunnen ze op het moment van de herstelling 'geblokkeerd' worden door middel van metalen spieën (aluminium of roestvast staal) die in de scheuropening geklopt worden. Soms is ook onder de wand een opening ontstaan die voorafgaandelijk opgevuld moet worden om opnieuw voldoende steun te geven aan de wand. Ten slotte kunnen ook de gipsbepleistering en de afwerking hersteld worden. We merken op dat de scheur zich minder snel opnieuw zal aftekenen op soepele wandbekledingen.




J. Wijnants, ing., afdelingshoofd, afdeling 'Technisch Advies', WTCB