De doorboringen van het luchtscherm beheersen 2012/01.10

Hoewel het door een weldoordachte keuze van de technologieën en de plaatsing ervan ten opzichte van het beschermde volume mogelijk is om het aantal doorboringen van het luchtscherm tot een minimum te beperken, kan dit bij technische installaties (water, gas, elektriciteit, verwarming, ventilatie) nooit volledig vermeden worden. Vermits elk van deze doorboringen aan de bron kan liggen van een lek, dienen deze grondig bestudeerd te worden met het oog op de goede coördinatie van de fasen die nodig zijn voor de correcte uitvoering ervan. De vraag stelt zich dus hoe men deze doorboringen kan beheersen…

1. Wijziging van de gewoonten bij het ontwerp

Afb. 1 Plaatsing van een voorgevormde mof die perfect aansluit op het luchtscherm.
De ontwerper dient de exacte positie en de afmetingen van de leidingdoorvoeringen doorheen het luchtscherm vast te leggen. Dit impliceert een voorafgaand overleg met de installateur, evenals een correcte dimensionering van de installaties. Bij deze taak, die nog al te vaak overgelaten wordt aan de beoordeling van de installateur alleen, gaat het erom te streven naar alsmaar kleinere en discretere doorboringen in een architectuur waarin er hiervoor gewoonlijk geen specifieke plek voorzien is. Deze manier van werken leidt dikwijls tot een verstrengeling van verschillende leidingen in een enge, moeilijk toegankelijke ruimte. Dit bemoeilijkt uiteraard de praktische uitvoering (en de latere interventies) en brengt de goede uitvoering en de duurzaamheid van het luchtscherm reeds van bij het begin in het gedrang.

Vervolgens dient de ontwerper het type doorboringen en hun exacte positie op de plans aan te geven, evenals de oplossingen die weerhouden werden voor de afdichting ervan.

Bepaalde fabrikanten van luchtdichte hulpstukken hebben voorgevormde moffen met een - soms zelfklevende - slab in hun productengamma, die zowel gebruikt kunnen worden voor doorboringen met kleine (bv. elektriciteitskabels) als grotere diameters (bv. verwarmingsleidingen, waterafvoerleidingen, ventilatieleidingen) (zie afbeeldingen 1 en 6).

Het gebruik van dergelijke moffen vergemakkelijkt de uitvoering en beperkt het risico op lekken, voor zover er een toereikende speling gelaten wordt rondom de leiding. De mof en de slab moeten bovendien aangepast zijn aan de aard van het contactoppervlak en op het geschikte moment geplaatst worden.


Afb. 2 Aanbrengen van een vloeibare afdichting. (Dörken Benelux)
Bepaalde fabrikanten bieden ook kleefband aan die speciaal ontwikkeld werd om de luchtdichtheid aan de aansluitingen te verzekeren. Deze kleefbandtypes vertonen een groot hechtend vermogen en zijn min of meer soepel en uitrekbaar om de meest complexe vormen te kunnen volgen. Teneinde hun optimale werking te waarborgen, moeten ze echter correct en op een geschikte ondergrond aangebracht worden (zie § 3). Voor de volledigheid willen we erop wijzen dat er vandaag de dag ook gewapende vloeibare afdichtingen in de handel verkrijgbaar zijn, die aangebracht kunnen worden met de borstel of het pistool (zie afbeelding 2). Deze techniek vergemakkelijkt de uitvoering van bepaalde aansluitingen met zeer complexe vormen en/of die moeilijk toegankelijk zijn.

Om de ontwerpfase correct af te ronden, dient men de verenigbaarheid van de beoogde hulpstukken met de andere materialen van het luchtscherm (bv. compatibiliteit mof/gipsbepleistering) na te gaan. In dit stadium kan het nuttig zijn om de aard van de gekozen materialen te vermelden in het bestek en op de detailplans. Dit moet de aannemer in staat stellen om met kennis van zaken een offerte op te maken en eventueel equivalente producten voor te stellen.

2. Wijziging van de gewoonten bij de planning

Om te komen tot een luchtdichte doorboring, dient men de luchtdichte hulpstukken aan te sluiten op het luchtscherm van de doorboorde wand. Deze aansluitingswerken moeten dan ook correct ingepland worden en vereisen een goede coördinatie tussen de verschillende betrokkenen.

In het geval van bepleisterd metselwerk is het gewoonlijk de binnenbepleistering die de luchtdichtheid verzekert. De bepleistering aan de omtrek van de leidingen kan echter beginnen te scheuren door toedoen van hun bewegingen. Dit geldt met name bij leidingen die een zekere uitzetting ondergaan (verwarmingsleidingen, koelleidingen, sanitaire warmwaterleidingen, …). Men dient dus de nodige maatregelen te treffen om de uitzetting van deze leidingen toe te laten teneinde de duurzame luchtdichtheid van de doorboring te verzekeren.

Een mogelijke oplossing bestaat erin om mantelbuizen aan te brengen tijdens de uitvoering van de ruwbouw. Deze worden op de voorziene plaatsen ingewerkt en steken een beetje uit de wand uit om hun correcte aansluiting met de binnenbepleistering te waarborgen. Een soepele mof, uitgevoerd door de plaatser van de leiding, zorgt vervolgens voor de luchtdichtheid tussen het luchtscherm en de mantelbuis, zonder de uitzetting van de leiding in het gedrang te brengen (zie afbeelding 3, reeks A). Indien de bewegingen eerder beperkt zijn, kan de mof vervangen worden door een soepele kitvoeg.

Afb. 3 Oplossingen voor de uitvoering van luchtdichte doorboringen in bepleisterd metselwerk, met of zonder mantelbuizen.


Afb. 4 Verlijming van een mof op een OSB-plaat voor binnengebruik.
Indien men geen mantelbuizen gebruikt, zullen de pleisterwerken en de montage van de leidingen in verschillende stappen moeten gebeuren (zie afbeelding 3, reeks B). De eerste stap (B1) bestaat erin een bepleistering aan te brengen in de zones die achteraf ontoegankelijk zullen worden door de plaatsing van de leidingen. Tijdens de volgende stappen worden de leidingen en de luchtdichte moffen aangebracht (B2), waarna de openingen tussen de bepleistering en de leidingen opgevuld worden (B3).

In het geval van een houtskeletconstructie wordt de luchtdichtheid gewoonlijk tot stand gebracht door de beplating langs de binnenzijde of het dampscherm (zie 'Houtskeletbouw en luchtdichtheid'). Ook hier is het echter mogelijk om gebruik te maken van soepele moffen die luchtdicht op het luchtscherm verlijmd worden (zie afbeelding 4). Deze moffen moeten aangebracht worden tijdens de montage van de leidingen. In het geval van technische voorzetwanden is het aanbevolen om toegangsluiken te voorzien ter hoogte van de doorboringen met het oog op de latere interventies (bv. opsporen van lekken en herstellingen).

3. Wijziging van de gewoonten bij de uitvoering

Afb. 5 Gebruik van mantelbuizen die niet afgestemd zijn op de diameter van de leidingen.
Uit de ervaring is gebleken dat de loutere opvulling met polyurethaanschuim aan de omtrek van de leidingen (zie afbeelding 5) niet altijd volstaat om te komen tot een perfect luchtdichte doorvoering. Door de verstrengeling van de leidingen is het immers vaak onmogelijk om het schuim tot in de verste hoekjes te spuiten, zodanig dat de opzwelling ervan ontoereikend is om alle openingen op te vullen. Het is bijgevolg raadzaam om een mantelbuis te voorzien met een op de leiding afgestemde diameter en vervolgens de ruimte rondom de leidingdoorvoeringen zorgvuldig dicht te maken. De aansluiting met beton- of metselwerkwanden kan gebeuren door middel van moffen uit EPDM die op de ondergrond verlijmd worden met behulp van een contactlijm.

Een verzorgde uitvoering vergt het respecteren van enkele eenvoudige regels :
  • het gebruik van voorgevormde moffen die afgestemd zijn op de diameter van de doorvoerleiding kan de uitvoering van een aansluiting aanzienlijk vergemakkelijken en versnellen (zie afbeelding 6). Als men geen gebruik maakt van moffen, dient men te opteren voor aangepaste producten die specifiek ontwikkeld werden om de luchtdichtheid te waarborgen (bv. kleefband)

  • om de goede hechting van de luchtdichte hulpstukken of de kleefband te waarborgen, dient men het te verlijmen oppervlak vrij te maken van vetsporen, stof, zaagresten, mortel, lijm of pleister

  • de luchtdichte hulpstukken moeten zodanig geplaatst worden dat de leiding vrij kan bewegen, zonder aanleiding te geven tot het loskomen of scheuren van het luchtscherm

  • het hulpstuk moet op het luchtscherm aangesloten worden zonder plooien te veroorzaken. De minste plooi in het membraan, de slab van de mof of de kleefband kan zich immers vertalen in een lek, dat niet altijd weggewerkt kan worden door de loutere aanbrenging van extra lagen kleefband

  • bij de uitvoering van aansluitingen met behulp van kleefband zou men bij voorkeur moeten opteren voor de radiale plaatsing ervan (zie afbeelding 7). De tangentiële plaatsing van stroken kleefband rondom de leiding (zie afbeelding 8) is afgeraden omdat deze methode onvoldoende speling laat. Door een toereikende speling te voorzien, worden de mechanische belastingen op de kleefverbindingen beperkt en wordt bijgevolg ook het risico op loskomen kleiner

  • indien de aansluitingen toegankelijk blijven en achteraf gecorrigeerd kunnen worden, is het raadzaam om over te gaan tot een oriënterende proef met het oog op de opsporing van eventuele lekken.
Afb. 6 Gebruik van een voorgevormde mof voor een ventilatieleiding (goede oplossing).
Afb. 7 Radiale plaatsing van de kleefband (bevredigende oplossing).
Afb. 8 Tangentiële plaatsing van de kleefband (af te raden oplossing).

Indien men alle voorafgaande stappen nauwgezet opvolgt en de regels voor de goede uitvoering respecteert, zou het resultaat luchtdicht moeten zijn en blijven.

4. Specifieke oplossingen voor de doorvoering van brandwerende wanden

Er zijn verschillende brandwerende afdichtingssystemen beschikbaar. Men dient echter de voorkeur te geven aan systemen met een toereikende luchtdichtheid. Zo is het mogelijk om systemen met een mantelbuis te voorzien, waarbij de opvulling van de ruimte rondom de leiding gebeurt met rotswol (zie Infofiche 39.11.2). Een brandwerende kitvoeg of een elastische mof kan zorgen voor de verdere luchtdichte afwerking (zie afbeelding 3).

5. Specifieke oplossingen voor de doorvoering van rookkanalen

Afb. 9 Uitvoeringsprincipe voor de doorvoering van een rookafvoerleiding doorheen het dak.
Rookkanalen (metalen voeringen) vereisen een aantal bijzondere voorzorgen. Zo legt de norm NBN B 61-002 - behalve voor rookkanalen uit de temperatuurklasse T80 (zie onderstaande tabel), die enkel bestemd zijn om verbrandingsproducten op zeer lage temperatuur af te voeren - een minimale tussenafstand tussen de afvoerbuis en de aanwezige brandbare materialen op. Rekening houdend met het feit dat de meeste dampschermen en luchtschermen voor gebruik in lichte binnenwanden brandbaar zijn, dienen deze dus uitgesneden te worden op een reglementaire afstand.

De leidingdoorvoer wordt aan de draagstructuur van de wand bevestigd en omsloten door een 'onbrandbaar' isolatiemate­riaal. De aansluiting tussen het luchtscherm en de leiding wordt gecreëerd door een 'onbrandbaar' paneel. De opvulling van de ruimte tussen dit paneel en de leiding gebeurt met een brandwerende kit.

Bepaalde fabrikanten van metalen schoorstenen stellen tegenwoordig accessoiresets voor die toelaten om de eventuele doorvoeringen ervan luchtdicht af te werken.

Minimale tussenafstanden tussen de brandbare materialen en de omtrek van het rookkanaal, naargelang van de temperatuurklasse (NBN B 61-002).
Temperatuurklasse Minimale
tussenafstand
T80 Niet van toepassing
T100 50 mm
T>100 150 mm
Gxx xx mm