Mogelijke oplossingen voor de plaatsing van het schrijnwerk 2012/01.09

Naast de evolutie en de diversifiëring van de bouwmethoden hebben de verhoogde noden en strengere eisen op het gebied van de energieprestaties de afgelopen jaren voor wat betreft de plaatsing van deuren en vensters tot een ware technologische aardverschuiving geleid. Zo moet de aansluiting van het buitenschrijnwerk op de ruwbouw ervoor zorgen dat de prestaties van de vensterramen en het luchtscherm van de gevels op ononderbroken wijze gewaarborgd blijven. Uit talloze luchtdichtheidsproeven is echter gebleken dat de aansluitingen tussen het raamkader en de binnenbepleistering aan de grondslag kunnen liggen van belangrijke lekken.
Afb. 1 Plaatsing van een luchtscherm over de omtrek van het raamkader.
De performantste oplossingen bestaan erin om gebruik te maken van een omkasting, om dichtingsmembranen te plaatsen, om samendrukbare voegen te voorzien, ... Deze oplossingen vragen echter bijzondere aandacht bij de uitvoering en de coördinatie van de werken.

In afbeelding 1 gebruikt men luchtschermen die over de volledige omtrek van het raamkader en onder het tablet aangebracht worden. Deze membranen worden door de schrijnwerker aan het raamkader bevestigd en dit, vóór de plaatsing ervan. De verbinding tussen de membranen en het raamkader gebeurt met een zelfklevende strook of met een samengedrukte lijmvoeg en een aandruklat. Het vrije gedeelte van de membranen mag niet doorboord worden door de verankering van het schrijnwerk aan de ruwbouw.

Deze membranen worden ofwel rechtstreeks op de ruwbouw verlijmd en nadien voorzien van een bepleistering, ofwel ingepleisterd in de binnenbepleistering van de dagkant. Indien de dagkanten grote vlakheidsafwijkingen vertonen, zal het bij deze eerste werkwijze doorgaans nodig zijn om de dagkant te voorzien van een cementering teneinde een goede hechting te waarborgen. Zodoende kan men vermijden dat er plaatselijk luchtlekken zouden ontstaan bij het aandrukken van het membraan in de op de ruwbouw aangebrachte lijmlaag.

De verlijming van het membraan op de ruwbouwwerken gebeurt door de schrijnwerker. Indien het echter een membraan betreft dat voorzien is van een wapeningsnet, gebeurt het neerlaten door de plafonneerder. Ongeacht de gehanteerde methode, kan het gebruik van een wapeningsnet of een steunvlak onmisbaar blijken voor de hechting van de afwerking. De membranen mogen niet beschadigd worden en de hoekverbindingen moeten met de nodige zorgvuldigheid uitgevoerd worden.


Afb. 2 Plaatsing van een raamkader met behulp van een omkasting.
Men zou eveneens kunnen opteren voor een gedeeltelijke of een volledige omkasting (zie afbeelding 2). In dit geval zal er vóór de mechanische bevestiging een doorlopende voeg of een expansieve lijm toegepast worden op elk grensvlak tussen het kozijn en de omkasting. De platen die gebruikt worden voor de uitvoering van deze omkasting moeten voldoende luchtdicht zijn (in dit voorbeeld gaat het om multiplexplaten van 22 mm dik met een kwaliteitsklasse 2 of hoger). Het raamkader en zijn omkasting worden vervolgens in de ruwbouw bevestigd. Hierbij dient men zich te vergewissen van de luchtdichtheid aan het raakvlak tussen de omkasting en de ruwbouw. Vermits het zelfs door de injectie van een expansief schuim niet mogelijk is om een volledige luchtdichtheid te waarborgen, zal men langs de binnenzijde een bijkomend membraan moeten voorzien dat nadien in de bepleistering verzonken wordt.

Ook het ontwerp van de dagopening moet aangepast worden. Het gebruik van een omkasting vereist immers een neg met grotere afmetingen dan normaal. De neg moet minstens 6 cm breed zijn. In bepaalde situaties zal er zelfs een breedte van 10 cm noodzakelijk zijn. Een correct ontwerp en een goede coördinatie van de werkzaamheden van de verschillende bouwvakkers zijn dus ook in dit geval essentieel.

Aangezien er meerdere producten gebruikt worden, is het belangrijk dat men hieromtrent voldoende kennis heeft (gebruik van geslotencellige producten, beperkte dimensionale stabiliteit, scheursterkte, weerstand tegen kruip, duurzaamheid, ...) en dat men toeziet op de verenigbaarheid ervan met het schrijnwerk, de ruwbouwelementen en de afwerkingen.

Deze uitvoeringstechnieken en materiaalkarakteristieken zullen uitgebreid aan bod komen in de herziening van de Technische Voorlichting 188, gewijd aan de plaatsing van buitenschrijnwerk. Deze herziening gaat hand in hand met een prenormatief onderzoek dat sedert september 2011 binnen het WTCB uitgevoerd wordt en dat betrekking heeft op de duurzaamheid van de prestaties van de vensteraansluitingen.