Luchtdichtheidsprestatieklassen voor buitenschrijnwerk 2012/01.08

Het buitenschrijnwerk kan een belangrijke invloed hebben op de globale luchtdichtheid van het gebouw. In tegenstelling tot de andere gebouwonderdelen, kunnen de intrinsieke prestaties van het buitenschrijnwerk wel in het laboratorium bepaald worden (onder meer in het kader van de CE-markering). Dankzij deze karakterisering is het mogelijk om over te gaan tot een prestatiegerichte keuze van het schrijnwerk. Gelet op het feit dat de beste prestatieklasse uit het huidige classificatiesysteem (d.i. de klasse 4) redelijk ruim is, levert deze echter slechts lacunaire informatie op. Indien men wenst te komen tot een geschikte keuze, dringt er zich bijgevolg een verdere onderverdeling van deze klasse op.
De luchtdoorlatendheid van deuren en vensters wordt bepaald volgens de norm NBN EN 1026. Het luchtdebiet onder een druk van 100 Pa per voeglengte-eenheid of per oppervlakte-eenheid laat toe om de vensters in klassen in te delen (van 0 tot 4) volgens de norm NBN EN 12207 (zie tabel 1).

Tabel 1 Classificatie van vensters volgens hun luchtdoorlatendheid onder een druk van 100 Pa.
Klasse Referentieluchtdoorlatendheid bij 100 Pa per oppervlakte-eenheid [m³/(h.m²)] Maximale proefdruk [Pa] Referentieluchtdoorlatendheid bij 100 Pa per voeglengte-eenheid [m³/(h.m)]
0 Geen proef uitgevoerd
1 50 150 12,5
2 27 300 6,75
3 9 600 2,25
4 3 600 0,75


Luchtdichtheidsprestaties van de 300 laatst beproefde schrijnwerkelementen. Voorstel voor de verdere onderverdeling van de klasse 4.
Het is gebleken dat het merendeel van de vensterramen de klasse 4 (d.i. de beste klasse in het kader van de CE-markering voor vensters en deuren) bereikt. Uit de analyse van de 300 laatste WTCB-proeven kwam bijvoorbeeld naar voren dat maar liefst 87 % van de onderzochte vensterramen - ongeacht hun aard - beantwoordde aan de klasse 4. Deze klasse is met andere woorden zeer ruim en omvat tegenwoordig schrijnwerkelementen met de meest uiteenlopende prestaties. Zo vertonen de beste schrijnwerkelementen uit de klasse 4 een lekdebiet dat 5 tot 8 keer kleiner is dan dat van hun slechtst presterende tegenhangers.

Een verdere onderverdeling van de klasse 4 lijkt dan ook wenselijk om de ontwerpers en de schrijnwerkers in staat te stellen schrijnwerk­elementen te kiezen die beter aangepast zijn aan de gewenste luchtdichtheidsprestaties. De klassen 5 en 6, zoals voorgesteld in de grafiek op de volgende pagina, werden nog niet gevalideerd door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en werden bijgevolg nog niet geïntegreerd in de norm NBN EN 12207.

De huidige prestaties van buitenschrijnwerk

In onderstaande tabel 2 zijn de luchtdichtheidsprestaties van de 300 laatste in het laboratorium onderzochte schrijnwerkelementen samengevat.

Tabel 2 Statistische verdeling van de luchtdichtheidsprestaties van de 300 laatste in het laboratorium onderzochte schrijnwerkelementen.
Klasse Draaikipvensters
en vensters met enkele vleugel
Vensters met
dubbele vleugel
Schuiframen
(alle types)
Verbonden
elementen
2
(maximumdebiet bij 50 Pa : 17 m³/(h.m²))
0 % 1,5 % 0 % 0 %
3
(maximumdebiet bij 50 Pa : 5,67 m³/(h.m²))
8,0 % 7,6 % 18,4 % 6,8 %
4
(maximumdebiet bij 50 Pa : 1,89 m³/(h.m²))
26,1 % 40,9 % 34,2 % 49,2 %
5
(maximumdebiet bij 50 Pa : 0,76 m³/(h.m²))
27,3 % 24,2 % 36,8 % 27,1 %
6
(maximumdebiet bij 50 Pa : 0,38 m³/(h.m²))
38,6 % 25,8 % 10,5 % 16,9 %

Uit deze tabel komt naar voren dat vensters met enkele vleugel en draaikipvensters doorgaans betere prestaties vertonen dan de andere schrijnwerktypes. Men treft deze vensters aan in het beste deel van de klasse 4. Schuiframen vertonen prestaties die een stuk onder deze van draaikipvensters liggen. Toch stelt men vast dat 80 % van de onderzochte schuiframen tot de klasse 4 behoren.

De luchtdichtheidsprestaties mogen niet beperkt worden tot louter en alleen maar een reeks materiaalkarakteristieken. De globale luchtdichtheid van vensterramen wordt naast de materiaalkeuze immers ook in sterke mate bepaald door de kwaliteit van de verbinding, de uitvoering en de nauwkeurigheid van het ontwerp.

In de praktijk verdienen de volgende punten dan ook de nodige aandacht :
  • de continuïteit van de luchtdichtheidsrubbers
  • de aandrukking van de luchtdichtheidsrubbers
  • de afstelling van het hang- en sluitwerk
  • de afmetingen van de aanslagen
  • de kwaliteit van de verbindingen (lijmen, lassen, ...)
  • de kwaliteit van de kitvoegen
  • de stijfheid van de profielen
  • het respecteren van de afmetingen (diagonalen, correcte speling tussen de vleugel en het vaste kader, afmetingen van de profielen, latten, ...)
  • de maatvastheid van de profielen uit hout, PVC en aluminium
  • het aantal sluitpunten
  • de correcte dimensionering van de ophangpunten, ...
Het voorzien van bijkomende luchtdichtheidsrubbers (meervoudige aanslag) kan leiden tot een verbetering van de luchtdichtheid. Als de bedieningskracht van de vleugels echter beperkt is tot 100 N, kan de toename van het aantal aanslagen gepaard gaan met een verminderde aandrukking van de rubbers.

De norm NBN B 25-002-1 geeft een overzicht van de Belgische eisen. Voor het merendeel van de toepassingen wordt in deze norm minstens de klasse 3 opgelegd. Voor gebouwen met een hoge energieprestatie zal het evenwel nodig zijn om gebruik te maken van vensters die minstens tot de klasse 4 behoren (en waarvoor het debiet bij 100 Pa bij voorkeur lager is dan 1,2 m³/(h.m²)).

Impact op de luchtdichtheid van gebouwen

Uit de analyse van meer dan 5.600 gebouwen is gebleken dat een belangrijk aandeel in de n50-waarde (ventilatievoud bij 50 Pa) toe te schrijven is aan de luchtlekken doorheen het buitenschrijnwerk. Dit is in onderstaande tabel statistisch weergegeven voor de geanalyseerde gebouwen en dit, naargelang van de luchtdichtheidsklasse van de vensters.

Tabel 3 Aandeel in de n50-waarde dat toegeschreven moet worden aan het schrijnwerk naargelang van de luchtdichtheidsklasse van de vensters.
Statistische analyse (percentiel) Klasse 3 Klasse 4 Klasse 5 Klasse 6
Minimum 0,04 0,01 0,01 0,00
10 % 0,27 0,09 0,04 0,02
20 % 0,32 0,11 0,04 0,02
30 % 0,35 0,12 0,05 0,02
40 % 0,38 0,13 0,05 0,03
Gemiddeld 0,44 0,15 0,06 0,03
60 % 0,45 0,15 0,06 0,03
70 % 0,49 0,16 0,07 0,03
80 % 0,54 0,18 0,07 0,04
90 % 0,63 0,21 0,08 0,04
Maximum 1,76 0,59 0,23 0,12

Indien men een woning met een hoge luchtdichtheidsprestatie (n50 = 1) voor ogen heeft, zullen de vensterramen uit de klasse 4 in de helft van de gevallen verantwoordelijk zijn voor meer dan 15 % van de lekken. In meer dan één geval op 10 zullen ze zelfs leiden tot verliezen van meer dan 20 % en dit, zonder rekening te houden met de lekken via de aansluiting tussen het schrijnwerk en de ruwbouw.

Door te kiezen voor vensterramen met betere prestaties - zoals deze uit de klasse 6 - zullen de lekken via de vensters gemiddeld slechts verantwoordelijk zijn voor 3 % van het totale lekdebiet dat aanvaard wordt om een ventilatievoud n50 van 1 te bereiken.