Technische installaties en de luchtdichtheid van gebouwen 2012/01.03

Het is een feit dat er in onze gebouwen alsmaar meer technische installaties (water, gas, elektriciteit, telecommunicatie, verwarming, ventilatie, koeling, ...) geïntegreerd worden. In dit artikel trachten we dan ook een aantal aangepaste oplossingen aan te reiken om de ongunstige weerslag van deze installaties op de luchtdichtheid van de gebouwschil binnen de perken te houden.
Het is een goede gewoonte om de leidingen, kanalen en kabels in de mate van het mogelijke in het beschermde volume van het gebouw te integreren. In vele gevallen zal het echter noodzakelijk zijn om ook de ruimten die niet tot het beschermde volume behoren (zolders, kelders, kruipruimten, …) van een aantal leidingen en kanalen te voorzien. De kans is dan ook reëel dat deze het luchtscherm van het gebouw zullen doorboren, waardoor de beoogde luchtdichtheid in het gedrang kan komen.

Men dient ook rekening te houden met het feit dat bepaalde toestellen voor hun goede werking een directe toevoer van buitenlucht vereisen (bv. stookketels, kachels, gasfornuizen, …). Als gevolg van de hiertoe te voorziene niet-afsluitbare openingen zal het in voorkomend geval onmogelijk zijn om te komen tot een lage globale permeabiliteit van de gebouwschil.

Indien het gebouw dient te beantwoorden aan hoge luchtdichtheidseisen, zal men bij het ontwerp ervan meer dan ooit de volgende aspecten in het achterhoofd moeten houden :
  • de positionering van de onderdelen van de technische installaties (leidingen, kanalen, …) teneinde de doorboring van het luchtscherm te vermijden of toch tot een minimum te beperken

  • de noodzaak om specifieke voorzieningen aan te brengen om de luchtdichtheid ter plaatse van de doorboringen te waarborgen

  • het feit dat men bij de keuze van de installatieonderdelen ook de luchtdichtheidsprestatie in aanmerking dient te nemen.

Verwarmingsinstallaties

Afb. 1 Ventilatie van de opstellingsruimte.
De warmteproductie voor de verwarming van gebouwen en/of de opwarming van sanitair water, geschiedt vandaag de dag nog vaak door de verbranding van fossiele brandstoffen (aardgas, stookolie, hout, steenkool, …). Hierbij kunnen twee types warmtegeneratoren (stookketels) onderscheiden worden : apparaten met een open verbrandingskamer en toestellen met een gesloten verbrandingskamer. In het eerste geval haalt de warmtegenerator de nodige verbrandingslucht uit de ruimte waarin hij opgesteld is en worden de verbrandingsgassen afgevoerd door een verticaal afvoerkanaal (schoorsteen). In het tweede geval wordt de verbrandingslucht rechtstreeks uit de buitenomgeving ontnomen en worden de rookgassen rechtstreeks naar buiten afgevoerd via een gesloten circuit.

De goede werking van stookketels of individuele verwarmingsapparaten met een open verbrandingskring vereist dus een voldoende aanvoer van verbrandingslucht in de opstellingsruimte. Concreet betekent dit dat er in het onderste deel van de opstellingsruimte een niet-afsluitbare opening aanwezig dient te zijn, die rechtstreeks uitgeeft op de buiten­omgeving (zie afbeelding 1) en waarvan de doorsnede afhankelijk is van het toesteltype en het verwarmingsvermogen. In het geval van een gasketel met een atmosferische brander die voorzien is van een valwind-/trekonderbreker (toestel van het type B1) dient men volgens de normen NBN B 61-001, B 61-002 en D 51-003 bijvoorbeeld rekening te houden met een opening van 6 cm² per kW vermogen (d.w.z. een opening van 120 cm² voor een ketel van 20 kW), terwijl er in het geval van een houtketel voor eenzelfde vermogen een opening van 600 cm² nodig zal zijn (d.w.z. een opening van 30 cm² per kW).

De aansluiting van een ketel van het type B1 op een schoorsteen vergt niet alleen een toevoeropening voor de verbrandingslucht, maar tevens een bijkomende afvoer van de omgevingslucht naar de buitenomgeving, wat met andere woorden een extra doorboring van het luchtscherm teweegbrengt.

Volgens bovenvermelde normen is het evenzeer nodig om de opstellingsruimte van de warmtegenerator van een hoge ventilatie te voorzien, teneinde een ongewenste verhoging van de ruimtetemperatuur ten gevolge van het warmteverlies van de ketel en diens uitrustingen (leidingen, kraanwerk, wisselaars, …) te vermijden. Deze ventilatie geschiedt doorgaans op een natuurlijke wijze, via een niet-afsluitbare opening die aan de bovenzijde van de ruimte uitgeeft op de buitenomgeving (zie afbeelding 1). Voor sommige generatoren kan men eveneens een beroep doen op een mechanische afzuiging.

Het spreekt voor zich dat de opstelling van generatoren met een open verbrandingskring een zeer ongunstige invloed heeft op de luchtdichtheid van de gebouwschil. Het is dan ook aanbevolen om dergelijke generatoren buiten het beschermde volume te plaatsen.


Afb. 2 Opstellingsmogelijkheden voor toestellen met een gesloten verbrandingskring (type C).
Het is evenzeer belangrijk te weten dat er inzake de toevoer van verbrandingslucht en de schoorsteentrek gelijkaardige voorschriften van toepassing zijn voor individuele verwarmingstoestellen met een open verbrandingskring (kachels, inzettoestellen, open haarden, …) die aangesloten zijn op een schoorsteen en zich in een ruimte met menselijke bezetting binnen het beschermde volume bevinden. Deze eisen dienen strikt nageleefd te worden teneinde de goede verbranding te verzekeren, de kwaliteit van de binnenlucht te waarborgen en het risico op een CO-vergiftiging te vermijden.

Algemeen kan men stellen dat de veiligste oplossing erin bestaat om te opteren voor toestellen met een gesloten verbrandingskring (type C), die hun verbrandingslucht rechtstreeks uit de buitenomgeving halen zonder een beroep te doen op niet-afsluitbare openingen in de buitenwanden van de opstellingsruimte. Ondanks het feit dat de opstellingsruimte ook in dit geval een bijkomende hoge ventilatie vereist, kan deze gemakkelijk gerealiseerd worden door het verplicht aanwezige ventilatiesysteem van het gebouw. Toestellen van het type C vertonen bovendien het belangrijke voordeel dat ze probleemloos in het merendeel van de ruimten van het beschermde volume opgesteld kunnen worden (zie afbeelding 2).

Gastoestellen van het type A

Er bestaan ook gastoestellen met een open verbrandingskring die niet aangesloten zijn op een schoorsteen en die volgens de norm NBN D 51-003 aangeduid worden als toestellen van het type A. Het gaat hier om apparaten zoals keukengeisers voor plaatselijke aftappunten (aanrecht, lavabo), wasmachines, huishoudelijke droogkasten, koelkasten, … Dergelijke apparaten vereisen niet alleen een luchttoevoeropening, maar ook een verluchting in het bovenste deel van hun opstellingsruimte. Om de luchtdichtheid van de gebouwschil niet in het gedrang te brengen, is het dan ook aanbevolen om deze buiten het beschermde volume te plaatsen.

Deze aanbeveling is moeilijk te realiseren in het geval van gasgestookte kookfornuizen (toestellen van het type A), die zich normaalgesproken altijd binnen het beschermde volume bevinden. In principe zal er voor dergelijke toestellen dus steeds een aparte luchttoevoeropening noodzakelijk zijn. Om de goede werking van de ventilatie-installatie in de keuken te waarborgen, dient men bij het ontwerp ervan voldoende rekening te houden met de aanwezigheid van deze opening.

Opmerking : mobiele verwarmingstoestellen (bv. op vloeibare petroleum of commercieel butaan) vergen een permanente luchttoevoer. Als men de goede luchtdichtheid van het gebouw wil vrijwaren, zijn dergelijke toestellen dan ook afgeraden.

Gasmeters en drukreduceerposten voor aardgas

Er zijn eveneens ventilatievoorschriften van kracht voor de vertrekken of kasten binnenin het gebouw die de gasmeters en/of drukreduceerposten voor aardgas bevatten. Deze eisen zijn opgenomen in de norm NBN D 51-001, die van toepassing is voor installaties met grotere vermogens (nominaal gasdebiet > 100 m³/h). De eisen uit deze norm zijn evenwel weinig expliciet, zodanig dat de KVBG een aantal meer gedetailleerde regels van goede praktijk opgesteld heeft, die hierna kort samengevat zijn.

De gasmeter moet zich bevinden in een droge ruimte die minstens uitgerust is met een hoge niet-afsluitbare natuurlijke-verluchtingsopening met een minimale sectie van 150 cm² voor een gasdebiet van minder dan 100 m³/h en van 500 cm² indien het gasdebiet groter is.

Teneinde de luchtdichtheid van de gebouwschil niet in het gedrang te brengen, is het ten stelligste aanbevolen om de ruimten die de gasmeters en de drukreduceerposten bevatten, buiten het beschermde volume te houden.

Mechanische ventilatiesystemen en andere kanalen- en leidingnetten

In het geval van een mechanisch ventilatiesysteem zou het volledige kanalennet bij voorkeur binnen het beschermde volume geplaatst moeten worden. Daarnaast zou men ervoor moeten zorgen dat de wanden van de gebouwschil enkel doorboord worden door het aanvoerkanaal voor de verse lucht en het afvoerkanaal voor de bezoedelde lucht.

Ook voor de andere kanalen- en leidingnetten (bv. waterleidingen, gasleidingen, elektriciteitsleidingen, telecommunicatieleidingen, …) blijft de stelregel om alle overbodige doorboringen van het luchtscherm te vermijden en om binnen het beschermde volume voldoende kokers, spouwen en technische ruimten te voorzien waarin deze kanalen en dergelijke ingewerkt kunnen worden.

Besluit

Teneinde te vermijden dat de hierboven aangehaalde technische installaties een negatieve invloed zouden uitoefenen op de luchtdichtheid van de gebouwschil, zou men moeten toetsen of deze beantwoorden aan het criterium van de aanbevolen plaatsing ten opzichte van het beschermde volume, dat in onderstaande tabel samengevat is onder de vorm van een aantal eenvoudige stelregels.

Aanbevolen plaatsing van technische installaties ten opzichte van het beschermde volume.
Technische installatie Aanbevolen plaatsing ten opzichte van het beschermde volume
Centrale of individuele verwarming met generatoren met een gesloten verbrandingskring Binnen het beschermde volume, voor zover het vermogen kleiner blijft dan 70 kW
Centrale of individuele verwarming met generatoren met een open verbrandingskring Buiten het beschermde volume. De doorboringen kunnen beperkt worden door de collectoren binnen het beschermde volume te plaatsen
Opslag en productie van warm water (onafhankelijk van de stookketel)
  • Toestellen met een open verbrandingskring : buiten het beschermde volume. De doorboringen kunnen beperkt worden door de collectoren binnen het beschermde volume te plaatsen

  • Toestellen met een gesloten verbrandingskring en elektrische boilers : binnen het beschermde volume
Gasmeter en drukreduceerpost voor aardgas Buiten het beschermde volume
Mechanisch ventilatiesysteem Bij voorkeur binnen het beschermde volume. Uit plaatsgebrek worden dergelijke systemen echter dikwijls in een onverwarmde ruimte geplaatst. In voorkomend geval is het aanbevolen om het aantal doorboringen te beperken
Elektriciteitsmeter Binnen of buiten het beschermde volume (het aantal doorboringen blijft gelijk)
Elektriciteitsbord en domotica Binnen het beschermde volume