Voorbereiding van anhydrietgebonden dekvloeren voor harde vloerbedekkingen 2011/04.13

Het gebruik van anhydrietgebonden dekvloeren biedt tal van voordelen. Zo beschikken ze over een hoge mechanische sterkte, een homogene kwaliteit en zijn ze nauwelijks (of zelfs niet) krimpgevoelig. Bij de plaatsing van een harde vloerbedekking (bv. betegeling) op een dergelijke dekvloer, dient men echter wel voldoende rekening te houden met de specifieke karakteristieken ervan : de eventuele vorming van een ‘bindmiddelhuid’ aan het oppervlak, de vochtgevoeligheid en de eventuele ontwikkeling van expansieve zouten bij contact met cementgebonden materialen.

Bindmiddelhuid

Afb. 1 De bindmiddelhuid blijft kleven aan de tegellijm.
Afhankelijk van de samenstelling van de anhydrietgebonden dekvloer kan er zich aan het oppervlak soms een dun laagje CaCO3 vormen dat minder cohesief is en minder goed geïncorporeerd is in de dekvloermassa : dit wordt de bindmiddelhuid genoemd.

Indien deze laag niet weggeschuurd wordt vóór het aanbrengen van de harde vloerbedekking (volgens de richtlijnen van de fabrikant), kan deze laatste loskomen doordat er zich een hechtingsbreuk voordoet tussen de bindmiddelhuid en de massa van de anhydrietgebonden dekvloer. Dit heeft tot gevolg dat de bindmiddelhuid blijft kleven aan de onderzijde van het hechtingsmiddel waarin de vloerbedekking geplaatst werd (zie afbeelding 1).

Vochtgevoeligheid

Anhydrietgebonden dekvloeren zijn van nature vochtgevoeliger dan traditionele, cementgebonden dekvloeren. Deze vochtgevoeligheid wordt bovendien sterk beïnvloed door de samenstelling van de dekvloer (bv. keuze van de hulpstoffen). Indien het vochtgehalte in de anhydrietgebonden dekvloer langdurig te hoog is, kan dit leiden tot cohesieverlies.

Om dit te vermijden, stelt de Technische Voorlichting nr. 237 ‘Keramische binnenvloerbetegelingen’ dat het massavochtgehalte van een anhydrietgebonden dekvloer, gemeten met de carbidefles, maximaal 0,5 % mag bedragen voor dampdichte vloerbedekkingen (bv. betegelingen). Aangezien de vloerbedekking pas geplaatst mag worden wanneer aan deze eis voldaan is, dient men steeds over te gaan tot een voorafgaandelijke controle van het vochtgehalte. Het zal dan ook noodzakelijk zijn om goede drogingsomstandigheden te creëren (voldoende ventileren en verwarmen) en erop toe te zien dat de dekvloer na zijn uitvoering niet kan bevochtigd worden (door de plaatsing van waterkerende folies, het verwezenlijken van een droge muurvoet, …).

Vorming van expansieve zouten

Afb. 2 Ettringietvorming in de mortellijm.
In een vochtig milieu kan het contact tussen de cementgebonden en de anhydrietgebonden elementen aanleiding geven tot het ontstaan van expansieve zouten. Dergelijke zouten nemen toe in volume bij contact met vocht en kunnen aan de grondslag liggen van een onthechting tussen de dekvloer en de verdere vloerafwerking.

Bij toepassing van een anhydrietgebonden dekvloer dient men bijgevolg steeds na te gaan of deze verenigbaar is met het voorziene hechtingsmiddel. Indien dit niet het geval is, dient men eerst een aangepaste primer op de dekvloer aan te brengen vooraleer men overgaat tot de applicatie van het hechtingsmiddel (zie richtlijnen van de fabrikant).

Verder willen we onderstrepen dat men ook bij anhydrietgebonden dekvloeren de nodige rand- en uitzettingsvoegen moet voorzien, niettegenstaande het feit dat de vloervelden in dit geval iets groter mogen zijn dan bij cementgebonden dekvloeren. Tot slot lijkt het ons essentieel om de plaatser van de betegeling vóór de aanvang van zijn werken in te lichten over de aard van de ondergrond en de ermee gepaard gaande noodzakelijke voorbereidende werken.




J. Van den Bossche, ing., hoofdadviseur, afdeling ‘Technisch advies’, WTCB.