Borstweringen van gebouwen

In november 2010 leidde de herziening van de STS 54 over borstweringen tot de publicatie van de norm NBN B 03-004 'Borstwering van gebouwen'. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste voorschriften en aanpassingen in vergelijking met de STS 54, die inmiddels niet langer gebruikt mogen worden. Deze nieuwe voorschriften vervangen tevens de paragrafen over borstweringen uit de TV 196 'Balkons'.

Toepassingsdomein

De norm NBN B 03-004 is van toepassing op alle nieuwe of te renoveren gebouwen met een definitief, openbaar of privaat karakter. Het kan hier zowel gaan om residentiële gebouwen, kantoorgebouwen en handelspanden als om gebouwen die bestemd zijn om een groot aantal personen te herbergen, zoals schoolgebouwen en sportzalen. De norm is echter niet van toepassing op tijdelijke beschermingselementen, noch op bijzondere bouwwerken zoals noodtrappen buiten het gebouw, borstweringen van kunstwerken, van industriële installaties, ...

Zodra de valhoogte groter is dan of gelijk is aan 1 m (of minder indien zo voorgeschreven in het bestek), moet er een borstwering voorzien worden, zodanig dat de personen die rondstappen of stilstaan in de nabijheid van een opening niet onverwachts in het ijle zouden vallen.

Geometrie van de borstweringen

Beschermingshoogten

Minimale beschermingshoogten H en Hr van de borstweringen [mm].
Hoogte Dunne borstweringen (dikte ≤ 200 mm) Dikke borstweringen
200 < dikte ≤ 400 mm dikte > 400 mm
H 1100 1100 - (0,5 x dikte) 900
Hr 900 800 700
Hoogte Borstweringen geplaatst op een hoogte van 12 m, gemeten vanaf het bovenste gedeelte van de borstwering tot op het niveau van de vloer onderaan
H en Hr 1200 1200


Afb. 1 Beschermingshoogten van borstweringen [mm].
De beschermingshoogte H en de beperkte beschermingshoogte Hr van een borstwering worden gedefinieerd als de verticale afstand tussen het bovenste gedeelte van de borstwering en de normale stilstandzone (NSZ, stabiel evenwicht zonder bijkomende steun of hulp) en als de verticale afstand tussen het bovenste gedeelte van de borstwering en de precaire stilstandzone (PSZ, instabiel of ondersteund evenwicht indien 'b' ≥ 50 mm) (zie afbeelding 1).

De borstwering moet zodanig ontworpen worden dat haar minimumhoogte overeenkomt met de waarden uit de tabel hierboven. Indien er meerdere aangrenzende normale of precaire stilstandzones zijn, is het de meest ongunstige zone die de vereiste beschermingshoogte bepaalt. De beschermingshoogten voor trapleuningen zullen aan bod komen in de lange versie van dit artikel (bv. 900 mm verticaal gemeten tussen de neus van de trede en de bovenzijde van de leuning die zich op minder dan 12 m ten opzichte van de vloer onderaan bevindt).

Openingen tussen de verticale en horizontale borstweringselementen

De openingen tussen de verticale elementen mogen maximaal 110 mm breed zijn. De hoogte van de openingen tussen de horizontale elementen (zie afbeelding 2) moet dan weer aan de volgende eisen voldoen :
    Afb. 2 Openingen tussen de horizontale borstweringselementen [mm].
  • onderaan moet de hoogte van de opening tussen de borstwering en de hoogste PSZ of NSZ beperkt blijven tot 110 mm

  • tot op een hoogte van 450 mm mag geen enkel horizontaal element toelaten de borstwering te beklimmen of er stil te staan in ondersteund evenwicht

  • boven deze zone van 450 mm moet de hoogte van de horizontale openingen beperkt blijven tot 180 mm.

Glazen borstweringen

Glas kan niet alleen gebruikt worden als structureel element, maar ook als vulelement in een dragend skelet. In het eerste geval moet het glas alle belastingen opvangen die aangrijpen op de borstwering en deze doorgeven aan de ruwbouw. Dit kan ofwel gebeuren door directe inbouw ofwel via dragende elementen die verbonden zijn met de ruwbouw.

Het glas moet bovendien aan de volgende bijzondere eisen voldoen :
  • het moet gaan om gelaagd veiligheidsglas

  • de zichtbare randen moeten geslepen worden

  • in het geval van gelaagd glas waarbij alle componenten thermisch gehard zijn, moet er een regel voorzien worden die de glasranden beschermt tegen schokken en die de beglazing op haar plaats houdt bij de breuk van een van haar samenstellende glasplaten.
Het glas kan op zijn plaats gehouden worden door punt- of ononderbroken opleggingen. In dit laatste geval kan het glas ofwel in een sponning geplaatst worden (volgens de voorschriften uit de TV 221), dan wel ingebouwd worden (inklemming in een profiel of verbouting in de vloerplaat).


Volledig artikel


V. Detremmerie, ir., adjunct-laborato­rium­hoofd, laboratorium 'Dak- en gevelelementen', WTCB