Brandveiligheid van industriële gebouwen : bijlage 6 van het koninklijk besluit 'Basisnormen' 2011/04.04

Bijlage 6 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen inzake de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, bevat de desbetreffende voorschriften voor industriële gebouwen. Dit artikel gaat dieper in op een aantal van deze preventiemaatregelen en richt zich voornamelijk op de brandweerstandseisen voor constructie-elementen en compartimentswanden.

1. Classificatie van industriële gebouwen volgens bijlage 6



(1) Dakvloer (geprofileerde staalplaat) : niet-structureel element

(2, 3) Kolommen en hoofdbalken : structurele elementen (type I of II)
Afb. 1 Voorbeeld van een structureel en een niet-structureel constructie-element.
Om te bepalen welke brandveiligheidseisen er van toepassing zijn voor een industrieel gebouw, dient men eerst en vooral na te gaan tot welke klasse dit gebouw behoort. In bijlage 6 worden er drie klassen gedefinieerd, naargelang van de maatgevende brandbelasting (qf,cl) :
  • klasse A : qf,cl ≤ 350 MJ/m² (20 kg hout/m²)
  • klasse B : 350 < qf,cl ≤ 900 MJ/m²
  • klasse C : qf,cl > 900 MJ/m² (50 kg hout/m²).
Bijlage 6 maakt bovendien een onderscheid tussen gebouwen voor productie- en opslagactiviteiten. Aangezien deze laatste vooral gebruikt worden voor de opslag, overslag en/of distributie van goederen, zijn er minder ontstekingsbronnen aanwezig, waardoor de waarschijnlijkheid op het ontstaan van een brand lager wordt. Dit onderscheid heeft voornamelijk een weerslag op de brandstabiliteitseisen voor structurele elementen en de maximaal toegelaten compartimentsgrootte (zie § 2 en tabel 2).

Een gebouw kan opgebouwd zijn uit meerdere compartimenten uit verschillende klassen. De bouwheer moet de klasse en eventueel ook de maatgevende brandbelasting van de op te trekken compartimenten vermelden. Bij gebrek aan specificaties wordt het compartiment beschouwd als een gebouw voor productieactiviteiten uit klasse C. De eisen voor dit compartiment zullen bijgevolg de strengste zijn. De klasse van een industrieel gebouw kan op twee manieren bepaald worden :
  • ofwel door een gedetailleerde berekening op basis van de netto verbrandingswarmte van de aanwezige materialen. Deze rekenmethode staat beschreven in een brochure van de FOD Binnenlandse Zaken (1)

  • ofwel door gebruik te maken van de officiële lijst van de FOD Binnenlandse Zaken (2) die een overzicht geeft van de maatgevende brandbelastingen voor verschillende industriële activiteiten. Deze lijst stelt de bouwheer of de ontwerper in staat om de klasse van het compartiment of het gebouw te bepalen zonder de exacte inhoud ervan te kennen.

2. Constructie-elementen en brandstabiliteitseisen volgens bijlage 6

De voorgeschreven brandstabiliteitseisen verschillen naargelang van het type constructie-element. Onder de term 'constructie-element' (of dragend element) verstaat men alle constructieonderdelen die een dragende functie hebben.

In bijlage 6 wordt er een eerste onderscheid gemaakt tussen niet-structurele en structurele elementen. Structurele elementen zijn constructie-elementen die de stabiliteit van het geheel of van een gedeelte van het gebouw verzekeren (kolommen, dragende wanden, hoofdbalken, ...) en die bij het bezwijken ervan aanleiding geven tot een voortschrijdende instorting. Dit fenomeen treedt op indien de bezwijking van een constructieonderdeel leidt tot het bezwijken van andere gebouwonderdelen die zich niet in de onmiddellijke omgeving van het beschouwde onderdeel bevinden en indien de draagkracht van het overblijvende bouwwerk onvoldoende is om de optredende belasting te dragen.

Als men het constructie-element als structureel kan beschouwen, moet men vervolgens nog bepalen of het een element van type I of type II is :
  • type I : elementen die bij bezwijking een voortschrijdende instorting veroorzaken die zich kan uitstrekken tot over de compartimentsgrenzen of die de compartimentswand kan beschadigen

  • type II : elementen die bij bezwijking een voortschrijdende instorting veroorzaken die beperkt blijft tot het compartiment in kwestie.
Tabel 1 Vereiste brandweerstand volgens bijlage 6.
Type elementen Klasse A Klasse B Klasse C
Niet-structurele elementen Geen brandstabiliteitseisen
Structurele elementen van type II R téq (*)
Structurele elementen van type I R 60 R 120 R 120
(*) Aan de hand van de equivalente tijdsduur (teq) kan men de invloed van een ‘reële’ brandsituatie vertalen naar een invloed bij een brandblootstelling volgens de norm ISO 834. Deze methode wordt gedetailleerd in de norm NBN EN 1991-1-2.

Tabel 1 geeft een overzicht van de eisen voor structurele (type I en type II) en niet-structurele elementen.

De vereiste brandweerstandsduur voor structurele elementen van type I is logischerwijze dezelfde als voor de compartimentswanden (zie § 3). In geval van brand kan de instorting van deze elementen immers leiden tot de beschadiging van de compartimentswand. Voor structurele elementen van type II wordt de vereiste brandweerstandsduur niet willekeurig bepaald en dringt er zich een berekening op. Bijlage 6 bevat echter wel een aantal vooraf berekende oplossingen. Bij deze typeoplossingen kan men de volgende twee eisen onderscheiden : 'geen R bepaald' of 'R 30' (zie § 4 en tabel 2). Tussenvloeren en hun draagstructuur moeten steeds een brandweerstand van minstens R 30 vertonen. Indien het hier gaat om structurele elementen van type I, zijn de eisen bovendien nog strenger : R 60 of R 120 (zie tabel 1).

3. Compartimentsgrootte en compartimentswanden

Afb. 2 Dubbele compartimentswand met ontdubbelde draagstructuur.
(Bron : Xella BE nv)
De snelheid van de brandontwikkeling en de verspreiding van de brand en de rook in het gebouw moeten zodanig beperkt worden dat de gebruikers het getroffen compartiment (en indien nodig de aangrenzende compartimenten) tijdig kunnen verlaten en de brandweerdiensten de brand kunnen beheersen alvorens deze te groot wordt.

Volgens bijlage 6 moet de brandlast in het compartiment beperkt worden tot 5700 GJ voor een gebouw dat niet uitgerust is met een sprinklersysteem en tot 34 200 GJ (dus zesmaal meer) voor een gebouw dat wel over een dergelijk systeem beschikt.

De brandweerstand van de compartimentswanden (d.w.z. alle horizontale en verticale wanden tussen twee compartimenten) moet minstens gelijk zijn aan EI 60 voor klasse A en aan EI 120 voor de klassen B en C (3).

De aansluiting van de compartimentswand met het dak of de gevel moet zodanig ontworpen worden dat het verspreidingsrisico van de brand en de rook naar het aangrenzende compartiment beperkt wordt. Hiertoe wordt er in bijlage 6 respectievelijk voorgesteld om de compartimentswand 1 m boven het dak of 50 cm uit het gevelvlak te laten uitsteken.

Voor het ontwerp van de compartimentswanden zijn er drie typologieën :
  • ontdubbeling van de compartimentswand en de draagstructuur (zie afbeelding 2). Beide wanden zijn onafhankelijk van elkaar, worden bevestigd aan hun eigen draagstructuur en beschikken over de vereiste brandweerstand (EI 60 of EI 120). De aan de brand blootgestelde wand mag bezwijken, aangezien de tweede wand ondersteund wordt door de koel gebleven draagstructuur aan de niet-blootgestelde zijde

  • enkelvoudige compartimentswand met ontdubbelde draagstructuur. Het gaat hier om een enkelvoudige wand die met smelt­ankers aan een stalen draagstructuur bevestigd wordt die zich aan weerszijden van de wand bevindt. De smeltankers zorgen ervoor dat de draagstructuur aan de getroffen zijde losgekoppeld wordt van de wand. Zodoende blijft deze laatste ondersteund door de draagstructuur aan de 'koude' zijde en bestaat er geen risico op instorting

  • enkelvoudige compartimentswand met enkelvoudige draagstructuur. Het gaat hier doorgaans om een draagstructuur uit beton of beschermd staal, zodat de brandweerstand toereikend is (R 60 of R 120, naargelang van de vereisten voor de compartimentswand).

4. Typeoplossingen voor de compartimentsgrootte en de brandstabiliteit van structurele elementen van type II

Tabel 2 Vooraf berekende oplossingen (maximaal toegelaten compartimentsgrootte en brandweerstandsduur van structurele elementen van type II).
Klasse Zonder sprinklers Met sprinklers
Geen R bepaald ≥ R 30 Geen R bepaald ≥ R 30
Productie (of gemengd) A 25 000 25 000 150 000 150 000
B 5000 10 000 40 000 60 000
C 2000 5000 7000 30 000
Opslag C 5000 5000 12 500 30 000

Tabel 2 van bijlage 6 stelt een aantal vooraf berekende typeoplossingen voor die toelaten om de berekening van de equivalente tijdsduur, nodig voor de bepaling van de brandweerstands­eisen voor de structurele elementen van type II (zie § 2) en de maximaal toegelaten compartimentsgrootte (zie § 3), achterwege te laten (4).

5. Besluit

Afb. 3 De gevels zijn zodanig ontworpen dat ze in geval van brand naar binnen bezwijken.
(Bron : Brandweer Charleroi)
Binnen het Technisch Comité 'Ruwbouw' van het WTCB is er momenteel een werkgroep bezig met de opstelling van een Technische Voorlichting over het brandveilige ontwerp en de brandveilige uitvoering van industriële gebouwen. Naast WTCB-medewerkers bestaat deze werkgroep uit aannemers, studiebureaus, controlebureaus, hogescholen, universiteiten, vertegenwoordigers van architecten, brandweerdiensten, fabrikanten, materiaalfederaties, … Deze TV heeft als oogmerk om de ontwerpers en de uitvoerders de nodige details te verschaffen voor de correcte toepassing van bijlage 6 (met name voor de uitvoering van compartimentswanden, de aansluiting ervan met het dak en de gevel, het bezwijken van de gevels naar binnen (zie afbeelding 3), ...).


Volledig artikel


Y. Martin, ir., afdelingshoofd, afdeling 'Gebouwschil en schrijnwerk', WTCB
S. Eeckhout, ing., hoofdadviseur, afdeling 'Technisch advies', WTCB
(1) 'De klassering van industriegebouwen. Toelichtingen bijlage 6 : brandpreventievoorschriften voor industriegebouwen'. Brussel, Algemene Directie 'Veiligheid en Preventie' van de Federale Overheidsdienst 'Binnenlandse Zaken', 2011.
(2) Zie Bijlage 1 'Tabel maatgevende brandbelastingen' uit de hierboven vermelde brochure.
(3) Of REI 60 (klasse A) en REI 120 (klassen B en C) voor een dragend compartimentselement.
(4) In geval van een verbeterde toegankelijkheid kunnen bepaalde compartimentsgroottes uit tabel 2 met 60 % verhoogd worden (zie hiervoor ook bijlage 6 van het koninklijk besluit).