Aangepaste geluidseisen in scholen 2011/02.16

De nieuwe norm NBN S 01-400-2 'Akoestische criteria voor schoolgebouwen' wordt weldra ter publieke enquête voorgelegd aan het Bureau voor Normalisatie en zal bijgevolg binnenkort van kracht worden. Deze norm bepaalt de vereisten waaraan nieuwe, afgewerkte schoolgebouwen moeten voldoen op het vlak van de lucht- en contactgeluidsisolatie, de gevel­isolatie, het lawaai van de technische uitrustingen en de nagalmbeheersing in specifieke ruimten. Mits een akoestisch weldoordacht ontwerp zijn akoestisch comfortabele schoolgebouwen doorgaans realiseerbaar zonder meerkost in vergelijking met de huidige normen.
Een geluidabsorberende plafondafwerking beperkt de nagalmtijd en verhoogt de spraakverstaanbaarheid in klasruimten
De nieuwe norm voor scholen kadert in de stapsgewijze aanpassing van de Belgische bouwakoestische normalisatie en vervangt de overeenkomstige bepalingen uit de normen NBN S 01-400 en -401. De bepalingen voor woongebouwen uit deze normen werden reeds in 2008 vervangen door de norm NBN S 01-400-1. De resterende gebouwtypes zullen opgenomen worden in latere delen van deze normenreeks.

De norm vindt enerzijds zijn oorsprong in de aanzienlijke verandering van het akoestische klimaat in en rondom schoolgebouwen tegenover drie decennia geleden. Denken we maar aan de forse verkeerstoename en aan de mogelijke bijkomende geluidsbronnen die gepaard gaan met een adequate ventilatie-installatie. Anderzijds beschikken we vandaag ook over de resultaten van diverse prenormatieve onderzoeksprojecten in binnen- en buitenland die ons toelaten de normeisen beter af te stemmen op de specifieke akoestische noden in schoolgebouwen. Ten slotte is er ook de noodzaak om de comforteisen uit te drukken in de vorm van Europese geharmoniseerde grootheden met daaraan gekoppelde uniforme evaluatieprocedures in plaats van in categorieën voor de geluidsisolatie zoals in het oude Belgische systeem het geval was.

Uitgangspunten

Omwille van de veelheid aan lokaaltypes in schoolgebouwen, besliste men bij het ontwerp van de norm om alle lokalen al naargelang hun gebruik in te delen in categorieën volgens hun verwachte lucht- en contactgeluidsproductie en volgens hun gevoeligheid voor lawaai. De comforteisen voor lucht- en contactgeluidsisolatie kunnen op die manier eenvoudig afgelezen worden in tabellen die de relevante classificaties van zend- en ontvangstlokalen weergeven.

Achtergrondlawaai tengevolge van verkeer dient beperkt te worden tot een richtwaarde die vastgelegd werd per lokaaltype. In combinatie met de geschatte of gemeten verkeerslawaaibelasting leiden deze richtwaarden tot eisen voor de gevelisolatie. In stille gebieden en voor gevels die blootstaan aan speelplaatslawaai wordt er een bijkomende minimale eis opgelegd voor de gevelisolatie. Installatielawaai afkomstig van stationaire geluidsbronnen (bv. ventilatie, verwarming, …) dient tot dezelfde richtwaarde beperkt te worden. Voor tijdelijke bronnen van installatielawaai (bv. sanitair, leidingen, …) werden toleranties voorzien en specifieke meetvoorschriften opgelegd.

De prestaties op het vlak van installatielawaai, luchtgeluids-, contactgeluids- en gevelisolatie mogen enkel geëvalueerd worden in een afgewerkt gebouw. Om deze evaluatie onafhankelijk te maken van de uiteindelijke aankleding van de lokalen, wordt per lokaaltype een referentienagalmtijd gedefinieerd waarnaar de gemeten prestaties herleid worden.

De nieuwe norm maakt voor bovenvermelde prestaties een onderscheid tussen twee eisenniveaus : de normale en de verhoogde eisen (doorgaans zo'n 4 dB strenger). Deze laatste eisen zijn enkel van toepassing indien de lokalen bestemd zijn voor specifieke doelgroepen die hogere eisen stellen aan het akoestische binnenklimaat zoals leerlingen met gehoorsmatige of communicatieve beperkingen.

Spraakverstaanbaarheid

Bij het ontwerp van de nieuwe norm ging er bijzondere aandacht naar de ruimteakoestische aspecten die een grote invloed uitoefenen op de spraakverstaanbaarheid in de leeromgeving. Een onderwerp dat in de 'oude' normen jammer genoeg niet aan bod kwam maar wel essentieel is voor de akoestische ergonomie van leerlingen en leerkrachten.

Om tot een goede spraakverstaanbaarheid in leslokalen te kunnen komen, dienen twee belangrijke akoestische parameters te worden gecontroleerd : het aanwezige achtergrondniveau en de nagalmtijd van de ruimte. Het achtergrondlawaai is samengesteld uit diverse stoorbronnen (bv. lawaai van technische installaties en verkeer). De nagalm in leslokalen, eetzalen, sporthallen en turnzalen kan beperkt worden door middel van geluidsabsorberende afwerkingsmaterialen. Indien men met deze middelen niet voldoet aan deze ontwerpeis, legt de norm een maximale nominale nagalmtijd op voor het afgewerkte lokaal, die afhankelijk kan zijn van het lokaalvolume. Voor grote auditoria, sporthallen en turnzalen of wanneer verhoogde eisen van toepassing zijn op klaslokalen, dient de laagfrequente nagalmtijd bijkomend beperkt te worden om laagfrequente spraakmaskering te vermijden.

Indien de verhoogde eis van toepassing is, dient de oppervlakte aan absorberende materialen met een kwart te worden verhoogd (ontwerpeis) of dient de nominale nagalmtijd in het afgewerkte lokaal 20 % (voor klaslokalen) of 0,4 s (voor turnzalen en sporthallen) korter te zijn. Voor een aantal specifieke lokaaltypes (bv. zeer grote auditoria en landschapsleslokalen) is een bijkomende zaalakoestische studie vereist.

Nagalmbeperking in circulatieruimten

De nieuwe norm voorziet ook in analoge, eenvoudige ontwerpmaatregelen om excessieve nagalm in circulatieruimten te vermijden. Voor centrale circulatieruimten en atria kan men er ook voor kiezen om in plaats hiervan de nagalmtijd in de afgewerkte toestand te beperken.


L. De Geetere, dr. ir., adjunct- laboratoriumhoofd, laboratorium 'Modellisatie en analyse', WTCB