Gipspleisters overschilderen 2011/02.13

Hoewel gipspleisters een goede ondergrond vormen voor zowat alle gebruikelijke verfsoorten, kunnen er bij de afwerking niettemin onvolkomenheden aan het licht komen waarvan de oorzaak niet altijd voor de hand ligt. Dit artikel geeft de belangrijkste aandachtspunten weer in verband met de ondergrond en de verf. De hechting, de duurzaamheid en het uitzicht van het verfsysteem zijn zowel afhankelijk van de karakteristieken van de bepleistering als van de schilderwerken.
Het pleisterwerk moet droog zijn. Indien dit niet het geval is, zal het aanwezige vocht de droging en verharding van de verflaag verstoren, wat kan leiden tot onthechting of blaasvorming. De droogtijd van het pleisterwerk is afhankelijk van de samenstelling, de gebruikte hoeveelheid aanmaakwater, de dikte, de relatieve vochtigheid en temperatuur van de omgevingslucht, de ventilatievoorwaarden, … Indien de vochtigheid van de pleisterlaag vóór de aanvang van de schilderwerken na meting (bv. met een capacitieve vochtmeter) te hoog blijkt (> 1 massapercent), dient de schilder te wachten tot het pleister voldoende droog is en kan men dit proces eventueel bevorderen door de ruimten te ventileren en/of te verwarmen.

Kalkpleisters moeten voldoende verhard zijn om onthechtingen te vermijden. Daarom moet men een voldoende lange wachttijd respecteren om de vrije kalk te laten verharden door carbonatatie. Deze reactie gaat gepaard met een daling van de pH-waarde (pH < 10,5). De schilder kan de evolutie van de ondergrond controleren met behulp van reactief pH-papier of een fenolftaleïneoplossing. We willen erop wijzen dat de pH van de ondergrond ongeveer 7 moet bedragen bij gebruik van alkyd- en olieverven.


Roestplekken tengevolge van corrosie
Aangezien micro-organismen de hechting van de verf verstoren, dienen gebeurlijk aanwezige schimmels geëlimineerd te worden met een schimmelwerend middel. Hoewel bleekwater vaak aanbevolen wordt, dient men nadien grondig te reinigen en een isolerende grondlaag aan te brengen om te voorkomen dat de pigmenten van de verven zouden verkleuren. Bovendien creëert deze behandeling geen enkel blijvend effect, in tegenstelling tot bijvoorbeeld producten op basis van quaternair ammonium.

Eventuele vlekken, markeringen of spatten (viltresten, roest, zie afbeelding) op de bepleistering moeten zo goed mogelijk verwijderd worden en 'geïsoleerd' worden door middel van een aangepaste grondlaag om te vermijden dat deze sporen na het aanbrengen van de verf opnieuw aan het oppervlak verschijnen. Ook eventuele resten van siliconenkitten aan het oppervlak moeten zorgvuldig verwijderd worden aangezien dit de hechting van de verf verstoort.

Indien men aan het oppervlak van de bepleistering een poederlaag aantreft (uitbloeiingen of verpoedering), dient men deze te verwijderen en/of te behandelen vóór de aanvang van de schilderwerken om te vermijden dat ze de hechting van de verf verhindert en aanleiding geeft tot afschilferingen. Uitbloeiingen zijn vaak het gevolg van vochtproblemen die verholpen moeten worden vóór de aanvang van de afwerking. Na droging van het pleisterwerk, dient men dit droog af te borstelen om de uitbloeiingen te doen verdwijnen. Bij intense uitbloeiingen wordt het gebruik van watergedragen verven afgeraden. Men raadt aan om in dit geval een alkalibestendige grondlaag op oplosmiddelbasis aan te brengen. Bij een verpoedering van het pleisterwerk of een gebrek aan cohesie van de bepleistering kan een fixerende grondlaag noodzakelijk blijken om de ondergrond te 'stabiliseren'. Het spreekt voor zich dat de werking van de fixeerlaag beperkt is tot de oppervlaktelaag van de bepleistering en dat men niet mag verwachten dat deze behandeling een in de massa verpoederde pleisterlaag omvormt tot een goede ondergrond voor een verfsysteem.

De grondlaag moet aangepast zijn aan de ondergrond. Deze laag impregneert de ondergrond en zorgt voor de goede aanhechting van de verflaag. Ze uniformiseert tevens het absorptievermogen van de ondergrond en creëert aldus een gelijkmatiger afwerkingsoppervlak (bv. om kleur- en glansverschillen te vermijden). Ze zorgt er ook voor dat het bindmiddel van de verf niet geabsorbeerd kan worden door de te poreuze bepleistering. Bij een zeer weinig absorberende bepleistering kan de grondlaag soms moeilijker de ondergrond binnendringen. Hij kan dan aan het oppervlak achterblijven en er compacte, blinkende zones creëren die de hechting van de afwerkingslaag kunnen verhinderen. Men kan dit probleem verhelpen door een aangepaste grondlaag aan te brengen. Men moet er ook op toezien dat de grondlaag voldoende droog is voordat men tussen- en afwerkingslagen aanbrengt. Indien dit niet gebeurt, kunnen er spanningen in het verfsysteem ontstaan die tot onthechting kunnen leiden. Bij een te snelle overschildering kunnen bepaalde vluchtige bestanddelen uit de grondlaag ingesloten worden achter het verfsysteem en schade veroorzaken.

De verf voor de afwerkingslaag moet aangepast zijn aan de grondlaag. Silicaatverven verharden door reactie met de calciumcarbonaten uit de ondergrond en bieden over het algemeen geen sterke hechting op gips. Hetzelfde geldt voor kalkverven. Bepaalde verflagen (bv. bepaalde polyurethaanverven of bepaalde epoxyverven) zijn harder dan de bepleistering, wat onthechting in de hand kan werken.

De verfkeuze moet steeds aangepast zijn aan de bestemming van de ruimte. In kamers waar (zelfs tijdelijk) een hoge relatieve vochtigheid kan heersen (keukens, badkamers, enz.), zijn verven met een hoog bindmiddelgehalte (bv. satijnverven) aangeraden omdat ze de ondergrond beter vrijwaren van vocht.

Bij renovaties moet de cohesie en de hechting van de oude lagen voldoende hoog zijn. De schilder kan immers te maken krijgen met oude lagen die niet uitgevoerd werden volgens de regels van de kunst : ontbrekende grondlaag, onbehandelde verpoedering, gebruik van incompatibele verven, enz. Deze gebreken kunnen stuk voor stuk aanleiding geven tot het loskomen van de nieuwe lagen tijdens de droging van de verf of op een later tijdstip onder invloed van variaties in de temperatuur of vochtigheid. Wanneer de hechting van de oude lagen te zwak blijkt, bestaat de meest duurzame oplossing erin de oude lagen te verwijderen om de oorspronkelijke bepleistering terug te vinden.


Volledig artikel


E. Cailleux, dr., projectleider, laboratorium 'Betontechnologie', technologisch adviseur (*), WTCB
W. Van de Sande, ing., departementshoofd, departement 'Technisch advies en consultancy', WTCB

(*) Technologische Dienstverlening 'REVORGAN', gesubsidieerd door het Waals Gewest.