Vervorming van houten gevelbekledingen beperken 2011/02.07

Update : 26.04.2012

De toepassing van houten gevelbekledingen wint aan terrein. Dat een dergelijke gevelbekleding een esthetische meerwaarde geeft aan het gebouw, hoeft niet gezegd. Daarenboven levert deze bekleding meteen de uitgelezen kans om de thermische prestaties van de bestaande wandcomponent te verbeteren. Toch wordt de schrijnwerker nog al te vaak geconfronteerd met overmatig vervormde of zelfs losgekomen gevelbekledingen.
Het WTCB werkt momenteel aan een Technische Voorlichting over houten gevelbekledingen die de leidraad van de goede praktijk zal vormen voor de toepassing van houten gevelplanken en panelen op basis van hout in het gevelvlak. Er zal in deze TV ruime aandacht besteed worden aan de keuze van de houtsoort en aan de duurzaamheid, de kwaliteit en de dimensionele stabiliteit ervan. Schrijnwerkers worden op de bouwplaats immers nog al te vaak geconfronteerd met overmatige vervormingen van gevelplanken die in sommige gevallen zelfs aanleiding geven tot het loskomen van de gevelbekleding. We geven in dit artikel een overzicht van de preventieve maatregelen die men kan treffen bij het realiseren van de gevelbekleding.

Houtsoortkeuze

De dimensionele beweging die eigen is aan iedere houtsoort wordt uitgedrukt door de 'werking'. Deze waarde is gelijk aan de procentuele wijziging in radiale en tangentiale afmeting bij variatie van het massavochtgehalte tussen 60 en 90 % relatieve luchtvochtigheid (buitenklimaat). We willen erop wijzen dat men de vervormingen bij minder stabiele houtsoorten doorgaans niet binnen de meest gebruikte criteria zal kunnen houden (bv. geometrische toleranties).

Indeling van houtsoorten in categorieën volgens hun werking
Matig stabiele houtsoorten 2,8 % < werking bv. Basralocus, Lorken, Robinia
Stabiele houtsoorten 1,5 % ≤ werking ≤ 2,8 % bv. WRC, Douglas of Oregon Pine
Zeer stabiele houtsoorten werking < 1,5 % bv. Padoek, Merbau

Initieel massavochtgehalte

Afb. 1 Uitgesproken dimensionele vervorming
Om overmatige vervormingen (zoals in afbeelding 1) te vermijden, moet men erop toezien dat het initiële massavochtgehalte van de gevelplanken afgestemd is op de verwachte blootstelling ervan aan de buitenomgeving. Omwille van deze reden is het raadzaam om het hout te drogen tot het een gemiddeld houtvochtgehalte van 17 ± 1 % bereikt (met uitzondering van Lorken 15 ± 1 %). Een punctueel houtvochtgehalte van 17 ± 2 % kan aanvaard worden (met uitzondering van Lorken 15 ± 2 %).

Profiel van de planken

Bredere planken zullen grotere bewegingen (krimp en zwelling) vertonen onder invloed van vocht. Men beperkt de breedte van gepotdekselde planken dan ook best tot 145 mm. Voor planken met een tand- en groefverbinding moet de breedte/dikte-verhouding (slankheid) lager dan of gelijk zijn aan 8. Het verdient aanbeveling om steeds gevelplanken te gebruiken met een dikte groter dan 18 mm.


Afb. 2 Uiteenschuiven van de tand- en groefverbinding

Een beperkte overschrijding van de slankheid is aanvaardbaar indien men opteert voor een zeer stabiele houtsoort en men bijzondere aandacht besteedt aan de houtkwaliteit en de bevestiging (zie verder). Daarenboven is het voor minder stabiele houtsoorten raadzaam om de achterzijde van de planken te voorzien van groeven om de spanningen vrij te maken. Het spreekt voor zich dat de verbinding of overlapping van de gevelplanken de dimensionele bewegingen moet toelaten.

Daarom hanteert men bij een gepotdekselde gevelbekleding een overlapping van 8 % à 12 % van de nuttige breedte. Bij een tand- en groefverbinding realiseert men idealiter een tandhoogte van 10 % van de nuttige breedte van de planken om te voorkomen dat de tand volledig uit de groef zou loskomen bij een krimpbeweging. Het is bovendien raadzaam om een speling van tenminste 2 mm te voorzien in de tand- en groefverbinding.

Bevestiging

Doordat de dimensionele beweging ter hoogte van de bevestigingen verhinderd wordt, zullen er op deze plaats spanningen ontstaan. De bevestigingen moeten daarom over een voldoende uittrekweerstand beschikken. Zo dient de lengte van een nagel minstens 2,5 maal de dikte van de gevelplank te bedragen, terwijl de lengte van een houtschroef minstens 2 maal de dikte van de bekleding dient te bedragen. Over het algemeen wordt een diameter van 3 tot 4 mm aanbevolen. Men vermijdt ook best gladde nieten of nagels en kiest liever voor getorste nagels of ringnagels (met een betere uittrekweerstand). We merken volledigheidshalve op dat in de toekomstige TV eveneens aanbevelingen opgenomen zijn voor de tussenafstanden en randafstanden van de bevestigingen.

Opbouw van de gevelbekleding

Aan de achterzijde van de houten gevelbekleding dient een gedraineerde en geventileerde luchtspouw voorzien te worden met een minimale breedte van 15 mm. Deze luchtspouw is essentieel om aan de voor- en achterzijde van de gevelplanken een differentieel vochtgehalte te vermijden dat aanleiding kan geven tot schoteling van de planken.


S. Charron, ir., adjunct-labohoofd, laboratorium 'Isolatie- en dichtingsmaterialen', WTCB
F. Caluwaerts, ing., hoofdadviseur, afdeling 'Technisch Advies', WTCB