Dakschilden met een flauwe helling
Waterdichtheid en duurzaamheid 2011/02.05

Afb. 1 Uitvoering en opbouw van een pannendak met een flauwe helling
1. Onderdak
2. Tengellat
3. Dakpan
4. Dichtingsmembraan
5. Panlat
6. Binnenafwerking
7. Spantbeen
8. Isolatiemateriaal
9. Bebording of beplanking
10. Lucht- en dampscherm
Dakdekkers worden steeds vaker geconfronteerd met dakschilden met bijzondere vormen en hellingen. De nieuwe TV nr. 240 'Pannendaken' bevat de geldende regels van de kunst voor dergelijke werken. In dit artikel worden de voornaamste aandachtspunten samengevat voor het ontwerp en de uitvoering van dakschilden met een flauwe helling.
Bij de plaatsing van een pannendak op een dakschild met een flauwe helling moet men de keuze van de pannen aanpassen aan de details van de verschillende elementen. Zo moet de dakdekker bij de fabrikant informeren of het gekozen pannentype geschikt is voor dakschilden met een flauwe helling. Indien de helling van het dak lager is dan de minimale dakhelling voor het gekozen type dakpannen, kan de dakdekker zich genoodzaakt zien een ander type pannen met een betere sluiting te plaatsen.

Indien deze oplossing onmogelijk is, zullen de pannen niet langer kunnen instaan voor de regendichtheid van het dak en dient men erop toe te zien dat de verwachte dichtingsprestaties behaald kunnen worden door het onderdak. In voorkomend geval dient men de ontwerp- en uitvoeringsprincipes voor platte daken te volgen. Zo zullen de verbindingen tussen de dakbanen afgedicht moeten worden door ze te verlijmen of te lassen (volgens de voorschriften van het gekozen type dichtingsmembraan).

Zelfde regels als voor platte daken

Dakschilden met een flauwe dakhelling moeten aan dezelfde regels beantwoorden als platte daken (zie TV nr. 215 voor de algemene regels en TV nr. 191 voor de aansluitingsdetails). Aangezien dichtingsmembranen doorgaans minder dampdoorlatend zijn dan de gebruikelijke onderdaken, dient men rekening te houden met een groter risico op inwendige condensatie. Dit risico kan ingeperkt worden door middel van een geschikte lucht- en dampremmende laag die aangebracht wordt langs de warme zijde van de isolatielaag, conform de voorschriften van de TV nr. 215. Om een warm dak te realiseren, brengt men de isolatie bij voorkeur aan op een continue ondergrond die zich bovenop het daktimmerwerk bevindt (bv. een beplating uit OSB of multiplex of een bebording met houten planken, zie afbeelding 1).

Aandacht voor de duurzaamheid

Omwille van de flauwe helling van de dakschilden zal de dakbedekking langduriger blootgesteld worden aan water. De pannen mogen zich echter nooit in een permanent vochtig milieu bevinden. Verder is het belangrijk dat de houten latten een voldoende natuurlijke duurzaamheid bezitten (bv. Douglas Fir of Oregon Pine zonder spinthout) of een gepaste verduurzamingsbehandeling ondergingen (procédé A3 volgens de homologatiecode van de Belgische Vereniging voor Houtbescherming). De nagels of schroeven bestaan bij voorkeur uit roestvast staal. Om de onderdelen die het vaakst met water in aanraking kunnen komen (bv. de tengellatten), voldoende te beschermen, is het raadzaam om het dichtingsmembraan bovenop de tengellatten te plaatsen of deze latten in te sluiten tussen het dichtingsmembraan en een bijkomende strook dichtingsmembraan (zie afbeelding 2).

Afb. 2 Overlapping van de tengellatten door het dichtingsmembraan (legende, zie afb. 1)

Waterdicht tot in de goot

Bij flauw hellende dakvlakken is de zorgvuldige detaillering van de aansluitingsdetails ter hoogte van eventuele perforaties (dakvensters, ventilatiepijpen, schoorstenen, …) van primordiaal belang. Indien er zich stroomafwaarts van de dakvlakken met een flauwe helling, dakvlakken bevinden met een afwijkende helling (bv. bij een boogdak), is het raadzaam om de dichtingsmaatregelen door te trekken tot aan de onderrand van het dak.


F. Dobbels, ir.-arch., projectleider, afdeling 'Energie en gebouw', technologisch adviseur (*), WTCB

(*) Technologische Dienstverlening 'Duurzame bouwschil', gesubsidieerd door het IWT