Droging van binnen­bepleisteringen 2010/04.11

TC Plafonneer- en VoegwerkenHet gedrag van binnenbepleisteringen en hun afwerkingen kan soms problematisch worden indien de droging ervan niet onder optimale voorwaarden plaatsvond. Dit artikel geeft een overzicht van de voorzorgsmaatregelen die men kan treffen om de droging te bevorderen en de schade door langdurige bevochtiging te vermijden.
Schade die te wijten is aan de langdurige blootstelling van de bepleistering aan een vochtige omgeving, kan zich op de volgende manieren uiten :
  • ontwikkeling van schimmels op het pleisteroppervlak
  • corrosie van de metalen profielen die ingewerkt werden in de pleisterlaag
  • blaasvorming in het schilderwerk of andere afwerkingen, cohesieverlies indien de bepleistering te snel van een afwerking voorzien werd
  • hechtingsverlies van de bepleistering of aantasting van de platen indien de bepleistering aangebracht werd op platen, bestemd om te bepleisteren.

1. Bouwvocht

Voor de aanmaak van een gipsbepleistering is ongeveer 500 liter water per m³ mortel vereist, waarvan slechts 30 % chemisch gebonden is. Dit betekent dat een bepleistering die aangebracht wordt met een gemiddelde laagdikte van 10 mm in een ruimte met een muur- en plafondoppervlakte van 100 m² zo'n 500 liter water zal bevatten, waarvan er tijdens de droging ongeveer 350 liter moet verdampen.

Wanneer de bepleistering aangebracht wordt op een recent uitgevoerd metselwerk of een welfsel, is het mogelijk dat deze laatste elementen nog een aanzienlijke hoeveelheid bouwvocht bevatten (aanmaakwater van de mortel, bevochtiging tengevolge van slechte weersomstandigheden, …), waardoor de vereiste droogtijd van de bepleistering sterk kan toenemen.

Men dient er met andere woorden op toe te zien dat het binnenklimaat van de ruimten waarin de bepleistering wordt aangebracht de correcte droging ervan niet in het gedrang brengt.

2. Controle van het binnenklimaat

Teneinde de correcte droging van de bepleistering vanaf de binding te waarborgen, dient men een aantal voorzorgsmaatregelen te treffen.

In de zomerperiode moet de intensieve ventilatie van de ruimten gewaarborgd worden om er te kunnen komen tot een toereikend luchtverversingsdebiet. Hiertoe volstaat het doorgaans om de vensters in de verschillende gevels van het gebouw in kipstand open te laten.

In de winter, wanneer het door de lage temperaturen niet mogelijk is te komen tot een toereikende droging, dient men deze ventilatie te combineren met een lichte verwarming van de ruimten.

Indien bepaalde ruimten niet uitgerust zouden kunnen worden met opengaande vensters (bv. in een badkamer of WC), is het absoluut noodzakelijk om gebruik te maken van ontvochtigers, waarmee het mogelijk is een deel van de waterdamp uit de lucht te onttrekken. Deze ontvochtigers kunnen voorzien zijn van een toestel dat de relatieve luchtvochtigheid controleert (vastgesteld op ongeveer 50 %) en moeten gebruikt worden tot het binnenklimaat zich in de buurt van deze waarde gestabiliseerd heeft.

In het geval van gebouwen die uitgerust zijn met een gecontroleerde mechanische ventilatie (kantoorgebouwen, passiefhuizen met een balansventilatiesysteem, …) en die voorzien zijn van overwegend vast schrijnwerk, zijn de ventilatiemogelijkheden dikwijls beperkt, zolang de mechanische ventilatie-installatie niet operationeel is. De ontwerper dient er dus voor te zorgen dat er een aantal opengaande vensters aanwezig zijn (minstens één per ruimte) of dat de gecontroleerde mechanische ventilatie-installatie in werking is bij de uitvoering van de bepleistering.

3. Gevolgen van een slechte droging

Een gipsbepleistering die langdurig blootgesteld wordt aan een vochtige omgeving, is uiterst gevoelig voor de ontwikkeling van schimmels. Indien de omgevingsomstandigheden te wensen overlaten, kan een dergelijke schimmelontwikkeling reeds beginnen op te treden na enkele weken. Een grondige reiniging van de bepleistering met water waaraan een zekere hoeveelheid javel toegevoegd werd zal bijgevolg nodig zijn. We willen er in deze context op wijzen dat de reiniging volgens ons niet behoort tot het takenpakket van de plafonneerder, noch tot de 'normale' voorbereiding die moet uitgevoerd worden door de schilder. De opdrachtgever dient echter wel op de hoogte gebracht te worden van de maatregelen die moeten getroffen worden om de correcte droging te waarborgen.

Wat de corrosie van metalen (en dan vooral gegalvaniseerd stalen) profielen betreft die aangebracht werden in de dikte van de bepleistering (hoekprofielen, stopprofielen, afreineuzen, …), dient men rekening te houden met het feit dat het zinklaagje ter bescherming van het onderliggende staal volgens de TV nr. 199 en volgens de norm NBN EN 13168-1 een oppervlaktemassa van minstens 275 g/m² moet vertonen, wat overeenstemt met een minimale dikte per vlak van 20 µm. Een dergelijke geringe dikte kan met andere woorden slechts bescherming bieden gedurende een beperkte bevochtigingsduur.

De aanbrenging van de muurafwerking mag pas overwogen worden na de toereikende droging van de bepleistering. Indien er nog vocht in de bepleistering ingesloten is, kunnen de mechanische karakteristieken (en meer bepaald de oppervlaktecohesie) ervan immers verminderen. In het geval van afwerkingen die gevoelig zijn voor vocht uit de ondergrond (verf, waterdampdicht behangpapier, vinylbekleding, …), kan de aanbrenging ervan op een onvoldoende droge bepleistering aanleiding geven tot blaasvorming.

4. Ten laste van wie ?

In de Technische Voorlichting nr. 201 'Binnenbepleisteringen. Deel 2 : uitvoering' wordt gesteld dat de ventilatie van de ruimten waarin de bepleistering wordt aangebracht tijdens de werkzaamheden ten laste valt van de aannemer-plafonneerder. Na de uitvoering van de pleisterwerken is het echter de opdrachtgever die dient toe te zien op de correcte ventilatie van de betrokken ruimten.

Zoals we hiervoor reeds hebben vermeld, dient de ontwerper ervoor te zorgen dat de te bepleisteren ruimten zowel tijdens als na de werken op correcte wijze geventileerd kunnen worden. Indien er geen geschikte ventilatievoorzieningen voorhanden zijn (bv. vaste vensterramen), zal men zijn toevlucht moeten nemen tot het gebruik van ontvochtigers en verwarmingstoestellen, met alle meerkosten van dien.


L. Firket, arch., adjunct-afdelingshoofd, afdeling 'Technisch advies' WTCB