TC Architectuur

CALE : wegbereider voor de EPB 2010/03.18

In februari 2004 lanceerde het Waals Gewest de actie 'Energiebewust bouwen' (Construire avec l'énergie, afgekort CALE) om bouwprofessionelen aan te zetten tot het bouwen van woningen met betere energieprestaties dan opgelegd door de geldende wetgeving. Dankzij dit initiatief kon men reeds zes jaar nuttige ervaring opdoen vóór de tweede fase van de invoegetreding van de energieprestatieregelgeving voor gebouwen (EPB) in het Waalse Gewest in mei 2010.
De volledige inwerkingtreding van de EPB-regelgeving in het Waals Gewest is werkelijkheid geworden : sinds 1 mei 2010 is het in dit Gewest niet enkel verplicht om in nieuwe woningen, kantoorgebouwen en scholen een globaal thermisch-isolatiepeil (K-peil) van K45 te waarborgen, maar dient men er tevens in residentiële gebouwen voor te zorgen dat het primaire-energieverbruikspeil (Ew-peil) lager is dan 100 en het specifieke verbruik (Espec) lager is dan 170 kWh/m² per jaar (1).

Bij haar lancering in 2004 liep de actie CALE (2) reeds vooruit op de latere EPB-regelgeving. De bouwprofessionelen engageerden er zich toen immers al toe om bij het ontwerp en de uitvoering van hun projecten rekening te houden met een energiecharter. Dit evolutieve energiecharter is gebaseerd op verschillende energiecriteria met betrekking tot de gebouwschil en de systemen. Zo werd er in een eerste fase een K-peil van ten hoogste K45 opgelegd en vanaf oktober 2007 een Ew-peil van ten hoogste 100 en een Espec lager dan 170 kWh/m² per jaar. In januari 2010 werd het K-peil verlaagd naar 35, het Ew-peil naar 70 en het specifieke verbruik naar 120 kWh/m² per jaar. Er werd tevens een nieuwe eis voor de luchtdichtheid van het gebouw ingevoerd : 50 ≤ 6 m³/h.m².

1. Enkele cijfers

In de eerste fase van de actie (CALE1) bedroeg het gemiddelde K-peil K37 en kwamen de natuurlijke ventilatiesystemen of mechanische afvoerventilatiesystemen vaak voor (respectievelijk goed voor 19 en 22 %). In de tweede fase (CALE2) lag het gemiddelde K-peil zes punten lager en werden er steeds vaker mechanische toe- en afvoerventilatiesystemen gebruikt (85 % tegenover 58 % voor CALE1).

Bijkomende statistieken van 426 individuele woningen die voldoen aan de criteria van deze tweede fase toonden aan dat de goede resultaten voor het K-peil doorgaans ook weerspiegeld worden in het gemiddelde Ew-peil en het gemiddelde Espec, die beiden veel lager liggen dan de grenswaarden uit het CALE2-charter (zie afbeelding). We merken op dat gebouwen met hetzelfde K-peil toch een zeer uiteenlopend Ew-peil kunnen hebben. Dit verschil kan verklaard worden door het feit dat men elektriciteit gebruikt voor verwarming of voor de aanmaak van sanitair warm water.

2. Wand per wand en systeem per systeem

Uit onze statistieken blijkt dat, na vensters (> 35 %), muren proportioneel het belangrijkste aandeel vormen in de tansmissieverliezen (> 25 %). Daken zijn slechts verantwoordelijk voor een relatief klein aandeel van de transmissieverliezen (gemiddeld 15 %) aangezien het vrij eenvoudig is om dikkere isolatiepakketten aan te brengen in deze elementen.

Verhouding tussen het primaire-energieverbruikspeil Ew en het K-peil.
Verhouding tussen het primaire-energieverbruikspeil Ew en het K-peil.


In dit stadium van het project kunnen we uit onze statistieken afleiden dat kandidaat-bouwers bij de keuze van een verwarmingsinstallatie het vaakst kiezen voor verbrandingstoestellen (gas : 36 %, stookolie : 15 % en hout : 15 %). Hoewel elektriciteit vaak overwogen wordt (warmtepompen : 29 % en elektrische weerstandsverwarming : 5 %), geven meer dan een kwart van de personen die aanvankelijk voor een elektrisch systeem kozen (direct of met warmtepompen) verbrandingstoestellen op bij de aanvraag van het CALE-attest. Globaal treffen we dezelfde aandelen voor de energievectoren aan voor de productie van sanitair warm water als voor verwarming. We merken ook op dat in woningen die gebruikmaken van een plaatselijke verwarming (14 % van de projecten) vaak elektriciteit overwogen wordt voor de rechtstreekse productie van sanitair warm water. Een verrassende keuze gelet op het zeer lage primaire-energieverbruiksrendement van deze oplossing.

Aan het begin van hun project overweegt 41 % van de kandidaat-bouwers zonne-energie (gemiddeld 5,65 m² thermische zonnepanelen per woning). Slechts in 5 % van de projecten wordt er effectief gekozen voor fotovoltaïsche zonnepanelen. Meer dan de helft van deze woningen is uitgerust met zowel fotovoltaïsche cellen als met een thermisch zonne-energiesysteem.


Volledig artikel


D. Langendries, ir., projectleider, afdeling 'Energie en gebouw', WTCB
G. Lethé, ir., onderzoeker, laboratorium 'Energiekarakteristieken', WTCB
(1) Zie artikel 'De Energieprestatieregelgeving voor Gebouwen : nieuwe ontwikkelingen in Brussel en Wallonië', WTCB-Dossiers nr. 2/2010, katern nr. 18.
(2) De actie CALE wordt omkaderd door een consortium dat samengesteld is uit het Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het Bouwbedrijf (WTCB), de Confédération Construction Wallonne (CCW), het Institut de Formation en Alternance des Petites et Moyennes Entreprises (IFAPME), de Université catholique de Louvain (UCL), de Université de Liège (ULg), de Université de Mons (UMons) en de Union Wallonne des Architectes (UWA).