Pleistermortels 2010/02.09

TC Plafonneer- en VoegwerkenDe TV’s 199, 201 en 209 gelden als referentiedocumenten voor binnen- en buitenbepleisteringen in België. Sinds 1 februari 2005 is de CE-markering van industriële pleistermortels voor binnen- en buitentoepassingen verplicht volgens de norm NBN EN 998-1.
Tabel 1 Classificatie.
Druksterkte na 28 dagen
CS I 0,4 tot 2,5 N/mm2
CS II 1,5 tot 5,0 N/mm2
CS III 3,5 tot 7,5 N/mm2
CS IV ≥ 6 N/mm2
Capillaire waterabsorptie
W0 Geen specificaties
W1 c ≤ 0,40 kg/m2min0,5
W2 c ≤ 0,20 kg/m2min0,5
Warmtegeleidbaarheid
T1 ≤ 0,1 W/m.K
T2 ≤ 0,2 W/m.K
De norm NBN EN 998-1 (1) is van toepassing op industriële minerale pleistermortels voor binnen- en buitentoepassingen op muren, plafonds, kolommen en wanden. Pleistermortels worden gedefinieerd als een mengsel van water met één of meerdere minerale bindmiddelen, granulaten en eventueel hulpstoffen en/of toeslagstoffen. Deze norm heeft geen betrekking op gipspleisters (CE-markering volgens de norm NBN EN 13279-1) of ETICS (2) met pleistermortels. De eigenschappen van een bepaalde bepleistering hangen grotendeels af van de gebruikte bindmiddelen en van hun respectievelijke mengverhoudingen. Pleisters bekomen hun definitieve eigenschappen pas na volledige uitharding. De norm NBN EN 998-1 legt specificaties op in de vorm van klassen of gedeclareerde waarden waaraan verharde en verse pleistermortels (zie tabel 2) moeten voldoen, afhankelijk van hun eigenschappen en/of toepassingsdomein.

Tabel 2 Specificaties voor verharde pleistermortels.
Karakteristieken Proef­methode volgens NBN ... Pleistertype
GP LW CR OC R T
Mortels voor algemene toepassingen Lichte
mortels
Gekleurde
mortels
Eenlagige
mortels
Renovatie-mortel Mortels voor
thermische
isolatie
Droge volumemassa [kg/m3] EN 1015-10 Gedecla-reerde waarde Gedecla-reerde waarde
≤ 1300 kg/m3
Gedeclareerde waarde
Druksterkte (1) EN 1015-11 CS I tot IV CS I tot III CS I tot IV CS I tot IV CS II CS I tot II
Hechting [N/mm2 en breukpatroon FP (Fracture Pattern)] EN 1015-12 ≥ gedeclareerde waarde en FP ≥ gedeclareerde waarde en FP
Hechting na veroudering [N/mm2 en breukpatroon FP] EN 1015-21 - - - Gedeclareerde waarde en FP - -
Capillaire waterabsorptie (1) (2) EN 1015-18 W0 tot W2 W1 tot W2 ≥ 0,3 kg/m2
na 24u
W1
Waterpenetratie na capillaire
waterabsorptie
EN 1015-18 - - - - ≤ 5 mm -
Waterdoor-laatbaarheid na
verouderingscycli
EN 1015-21 - - - ≤ 1 ml/cm2
na 48h
- -
Waterdamp-doorlaatbaar-
heidscoëfficiënt [µ] (2)
EN 1015-19 ≤ gedeclareerde waarde ≤ 15 ≤ 15
Warmtegeleid-baarheid (1) [W/m.K] EN 1745 Getabelleerde waarde T1 : ≤ 0,10
T2 : ≤ 0,20
Brandreactie EN 13501-1 Euroklassen
(1) Zie classificatie uit tabel 1.
(2) Van toepassing op mortels voor buitentoepassingen.

De normen NBN EN 13914-1 en -2 geven niet specifiek aan welke pleistermortel aangewezen is onder bepaalde omstandigheden. Indien de bepleistering haar ondergrond moet beschermen tegen regenpenetratie, kan men zich baseren op de ervaringen die men opdeed bij gelijkaardige situaties. Bij een strenge blootstelling moet de capillaire waterabsorptie voldoen aan de klasse W2 (zie tabel 1), terwijl de klasse W1 of W0 volstaat bij een matige of zwakke blootstelling. Het CEN/TR 15125 raadt aan om in vochtige ruimten pleisters op cementbasis te gebruiken (eventueel in combinatie met kalk). De TV 209 stelt dat waterwerende pleisters vervaardigd moeten worden uit cementgebonden mengsels met waterwerende hulpstoffen of uit kunstharsgebonden mortels (3).


Volledig artikel


I. Dirkx, ir., onderzoeker, laboratorium ‘Ruwbouw- en Afwerkingsmaterialen’,WTCB
Y. Grégoire, ir.-arch., adjunct-afdelingshoofd, afdeling ‘Materialen’, WTCB

(1) Deze norm vervangt de oude Belgische norm NBN B 14-002 en geeft aanleiding tot een conformiteitsattestering van niveau 4 (AoC4).
(2) ETICS : buitengevelisolatiesysteem met pleisterwerk. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar het WTCB-dossier nr. 2009/4.11.
(3) De TV 199 stelt ook dat men geen gipshoudende pleisters mag aanbrengen op wanden die regelmatig blootgesteld worden aan spatwater. De TV 227 geeft een overzicht van te voorziene dichtingssystemen, afhankelijk van de blootstellingsgraad van het oppervlak en de aard van de ondergrond.