Opslag en uitvoering van zelfklevende afdichtingsmembranen 2010/02.06

TC DichtingswerkenDe bevestigingstechnieken voor afdichtingsmembranen ondergingen de laatste jaren een grondige evolutie. Zo vormen koudlijmen een waardig alternatief voor hechtingen met warm bitumen of door middel van vlamlassen. Daarnaast verschenen er recenter ook zelfklevende afdichtingsmembranen op de markt die zorgen voor een snelle plaatsing waarbij geen of weinig solventen vrijkomen en waarbij geen of slechts sporadisch gebruik gemaakt wordt van vlamlassen (verhoogde brandveiligheid).
Naar aanleiding van het gebrek aan richtlijnen betreffende de opslag en de uitvoering van zelfklevende membranen, riep het Technische Comité 'Dichtingswerken' een werkgroep in het leven om de algemene voorschriften uit de TV 215 en 191 aan te vullen met specifieke aanbevelingen voor zelfklevende membranen. In deze werkgroep waren niet alleen fabrikanten en aannemers in dichtingswerken vertegenwoordigd, maar ook studie- en controlebureaus.

1. Types zelfklevende membranen

Afb. 1 Uitvoering van een zelfklevend membraan.

Er bestaan verschillende types zelfklevende membranen. We kunnen een eerste onderscheid maken tussen :

  • (gewone) zelfklevende membranen : deze synthetische of bitumineuze membranen verkrijgen hun volledige kleefkracht na het verwijderen van de wegtrekfolie en het aandrukken op de ondergrond (zie afbeelding 1) zonder bijkomende thermische activatie
  • doorwarmrollen : deze bitumineuze membranen verkrijgen hun volledige kleefkracht pas na het verwijderen van de wegtrekfolie, het aandrukken op de ondergrond en het toepassen van een bijkomende thermische activatie.

We kunnen de zelfklevende membranen daarnaast ook indelen volgens de aard van hun basisproduct (bitumineus of synthetisch) of volgens de samenstelling van het zelfklevende product (meestal gemodificeerd bitumen of butylpasta). Ten slotte bestaan er ook twee verschillende hechtingswijzen (volvlakkige verlijming of partiële verlijming door middel van zelfklevende noppen of strepen) en overlapverbindingen (zelfklevend of thermisch gelast).

Wat hun toepassingsgebied betreft, kunnen doorwarmrollen enkel aangewend worden als onderlaag voor een gevlamlaste toplaag, terwijl de andere zelfklevende membranen toegepast kunnen worden als dampscherm (eventueel als tijdelijke dakafdichting), als onderlaag voor een meerlaags afdichtingssysteem of als toplaag voor een één- of meerlaags afdichtingssysteem.

Zelfklevende membranen kunnen aangebracht worden op zeer uiteenlopende ondergronden : geprofileerde staalplaten, beton, houten platen, isolatiematerialen, bestaande afdichtingen, … Men kan de geschikte ondergronden voor een bepaald membraan terugvinden in de voorschriften van de fabrikant.

2. Opslag en bewaring op de bouwplaats

Zelfklevende membranen worden zo snel mogelijk na hun productie verwerkt binnen de verbruikstermijn die opgegeven werd door de fabrikant. Men weerhoudt doorgaans een grootteorde tussen 6 en 12 maanden na fabricage.

Tijdens de opslag mogen de paletten niet op elkaar geplaatst worden en dienen de rollen zodanig gestapeld te worden dat ze niet kunnen doorzakken (dit bemoeilijkt het uitrollen). Daarnaast moeten ook direct zonlicht en temperaturen boven 30 °C te allen tijde vermeden worden (bv. door de rollen tijdens een eventuele tijdelijke opslag op het dak af te dekken met een isolerend en/of reflecterend dekzijl). UV-straling kan immers de zelfklevende werking van het membraan tenietdoen waardoor de (blootgestelde) buitenste laag van de rol een bijkomende thermische activatie moet ondergaan.

3. Optimale uitvoerings­omstandigheden

3.1. Algemeen

Bij de uitvoering van zelfklevende membranen dient men, meer nog dan bij klassieke afdichtingsmembranen, bijzondere aandacht te besteden aan de voorbereiding van de ondergrond en de voorschriften van de fabrikant.

3.1.1. Ondergrond

Men dient er zich vóór de plaatsing van het membraan van te vergewissen dat de ondergrond egaal, luchtdroog (vrij van zichtbaar vocht), zuiver, vet- en stofvrij is (zie TV 215). Naargelang van de ondergrond en de voorschriften van de fabrikant, kan het dikwijls noodzakelijk zijn om vooraf een primer aan te brengen. Indien de dakvloer uit gefractioneerde elementen bestaat (met uitzondering van isolatieplaten), dient men vóór het aanbrengen van de primer losse overbruggingsstroken te voorzien ter hoogte van de voegen (zie TV 191). In het geval van isolatieplaten oefent de cachering ervan een belangrijke invloed uit die het gebruik van een primer kan vereisen. Daarnaast moet men ook steeds nagaan of het isolatiemateriaal verenigbaar is met het zelfklevende materiaal van het membraan. Op ruwe of poreuze ondergronden kan een dubbele primerlaag aangewezen zijn om een voldoende glad oppervlak te verwezenlijken. Om condensatie en blaasvorming onder het membraan te vermijden, moet de primer volledig droog zijn alvorens men er het zelfklevende membraan op aanbrengt. In sommige gevallen kan het daarom noodzakelijk zijn om de primer een dag vroeger aan te brengen (bv. bij watergedragen primers). Sommige fabrikanten stellen een eigen specifieke primer voor.

3.1.2. Omgevingstemperatuur

De ideale omgevingstemperatuur voor de verwerking van gewone zelfklevende membranen schommelt tussen 10 en 25 °C, tenzij anders vermeld in de technische fiche. De aanbevolen omgevingstemperatuur voor doorwarmrollen is minder strikt, aangezien deze rollen na hun plaatsing sowieso een thermische activatie ondergaan.

Indien de plaatsing bij koudere omgevingsomstandigheden geschiedt, kan de lage temperatuur van de rollen de goede plaatsing ervan verhinderen waardoor de volvlakkige verkleving in het gedrang komt en er zich plooien of blazen kunnen vormen ter hoogte van de niet-hechtende delen. Men kan de temperatuur van de rollen onder meer verhogen door de rollen vooraf uit te rollen (blootstelling aan de zon) of door ze vóór hun plaatsing in een hogere omgevingstemperatuur te bewaren. De aanbrenging van zelfklevende membranen mag plaatsvinden bij omgevingstemperaturen lager dan 10 °C indien het een plaatsing betreft op door de zon verwarmde geprofileerde staalplaten of indien de ondergrond vooraf opgewarmd werd.

Wanneer de ondergrond daarentegen te sterk opgewarmd wordt (bv. bij hogere omgevingstemperaturen en/of bij sterke bezonning), kan de wegtrekfolie tijdens het heroprollen van de banen na de uitlijning te sterk aan het membraan gaan hechten, verweken en scheuren.

3.1.3. Plaatsing

Bij de plaatsing ontrolt men de eerste baan voor de uitlijning. Vervolgens rolt men deze opnieuw op tot halverwege de baanlengte. De wegtrekfolie wordt doorgesneden in de breedte en wordt in één beweging naar boven toe verwijderd terwijl men de baan ontrolt. De zelfklevende onderzijde komt hierdoor in contact met de ondergrond en begint onmiddellijk te kleven. Men drukt het membraan aan met een rol of borstel (zie afbeelding 1) en herhaalt deze werkwijze voor het resterende gedeelte van de rol en voor alle volgende banen, terwijl men telkens zorgt voor een voldoende overlapping.


Afb. 2 Gelaste overlapping.
De dwars- en langsnaden kunnen ofwel zelfklevend zijn en aangedrukt worden met de rol, ofwel gelast worden met de vlam of met hete lucht (föhn) over een aangepaste breedte (zie afbeelding 2). Indien de dwarsnaden gelast moeten worden, laat men ter hoogte van de overlapping een iets breder strookje wegtrekfolie over dat slechts verwijderd wordt wanneer men effectief begint te lassen. Op deze manier vermijdt men dat de overlapping reeds plaatselijk aan de ondergrond zou kleven waardoor dichtlassen onmogelijk wordt (onzekere waterdichting).

Bij een partiële verkleving doet men een beroep op aangepaste zelfklevende membranen (met zelfklevende noppen of strepen). Men zal deze membranen ter hoogte van een wand steeds volvlakkig verkleven om een luchtdichte aansluiting te realiseren.

Bij een toepassing op geprofileerde staalplaten plaatst men de banen in de cannulerichting en zorgt men ervoor dat de langsnaad op de bovenflens rust waar ze goed kan worden aangedrukt (zie afbeelding 2). Men moet erop toezien dat de breedte van de bovenflens groter is of gelijk aan de breedte van de overlapping. Ter hoogte van de opstand dient men bovenop de geprofileerde staalplaten een L-vormige staalplaat aan te brengen waarop de membranen volvlakkig verkleefd worden (zie afbeelding 4). Om de dwarsnaden goed te kunnen aandrukken en het doorbuigen van de onderste baan te vermijden, dient men de nodige voorzorgen te treffen. Zo kan men onder de overlapping een dunne ondersteuningsplaat aanbrengen of een bijkomende opgespannen strook zelfklevend membraan. De breedte van deze overlapping hangt af van het gebruikte product.

Afb. 3 Plaatsing van de banen waarbij de langsnaad op de bovenflens rust.
Afb. 4 Uitvoering van de dakopstand.

3.2. Toepassing als dampscherm

Bij bitumineuze kleeflagen kunnen de dwars- en langsnaden zowel zelfklevend als gelast uitgevoerd worden. Bij een partiële verkleving van het centrale dakvlak dient men ter hoogte van de opstanden een bijkomende thermische activatie uit te voeren of gebruik te maken van specifieke koudlijmen. In het geval van synthetische kleeflagen zijn de langs- en de dwarsnaden zelfklevend en worden ze gedicht door aandrukken.

3.3. Toepassing als onderlaag voor een tweelaags bitumineus afdichtingssysteem

De dwars- en langsnaden kunnen zowel zelfklevend als gelast uitgevoerd worden. Indien de toplaag niet gevlamlast wordt, moeten de naden van de onderlaag dit wel worden (tenzij anders vermeld door de fabrikant). De toplaag wordt volvlakkig verlijmd of met hete lucht gelast op de onderlaag. Bij doorwarmrollen is het vlamlassen van de toplaag onontbeerlijk om een volledige hechting te bekomen.

Om de dichtheid van partieel zelfklevende membranen te waarborgen, dient men de dwarsnaden te lassen en ter hoogte van de opstanden een bijkomende thermische activatie uit te voeren of gebruik te maken van specifieke koudlijmen.

3.4. Toepassing als toplaag

Indien de zelfklevende membranen aangewend worden als toplaag, dient men de naden te lassen (behoudens andersluidende voorschriften van de fabrikant). De dwarsnaden van synthetische membranen moeten gelast worden of afgedicht met een bijkomende gelaste afdichtingsstrook.

Indien het een partieel zelfklevend bitumineus membraan betreft dat aangebracht wordt op de middenzone van het dak, dient men ter hoogte van de opstanden een bijkomende thermische activatie uit te voeren of gebruik te maken van specifieke koudlijmen. Men zal in dit geval nooit een beroep doen op partieel zelfklevende synthetische membranen.


Technische goedkeuringen
In sommige ATG's van afdichtingssystemen worden reeds melding gemaakt van zelfklevende membranen voor een gebruik als dampscherm of als onderlaag voor deze systemen. Daarnaast bezit er bij het ter perse gaan van dit artikel ook al één product een ATG voor een toepassing als toplaag. Deze goedkeuringen beschrijven de eigenschappen van de zelfklevende membranen (mogelijke ondergronden, prestaties, hechting, …) en geven tevens enkele aanbevelingen voor de opslag ervan. Het technische Comité 'Dichtinswerken' zag het nut in van aanvullende richtlijnen voor de uitvoering, maar legde zich niet toe op het vastleggen van de proefmethodes en kwaliteitscriteria voor deze membranen, aangezien dit veeleer een taak is die toebehoort aan de BUtgb.


E. Noirfalisse, ir., onderzoeker, laboratorium 'Isolatie- en dichtingsmaterialen', WTCB