Sanitaire en industriële loodgieterij, gasinstallaties

Nooduitlaten op platte daken met een opkant

Hoewel men voor de opvatting van regenwaterafvoerinstallaties sinds 2000 een beroep kan doen op de Europese norm NBN EN 12056-3, bevat deze laatste geen enkele aanwijzing met betrekking tot het ontwerp van nooduitlaten. Vermits dergelijke voorzieningen essentieel zijn voor alle ingesloten oppervlakken die regenwater ontvangen, heeft het WTCB - op vraag van het Technisch Comité 'Sanitaire en industriële loodgieterij, Gasinstallaties' - hieromtrent een Infofiche uitgewerkt.
In deze Infofiche wordt eerst en vooral gepreciseerd welke regenintensiteit men in acht dient te nemen bij de berekening van het nooduitlaatsysteem. Uitgaande van de TV 191 - waarin geëist wordt dat de maximale waterhoogte op het dak beperkt moet blijven tot het uitzonderlijke waterpeil dat slechts bereikt wordt door een bui met een terugkeerperiode van 100 jaar -, en indien men rekening houdt met de Belgische regenstatistiek uit de norm NBN B 52-011 en een buiduur van 2 minuten, wordt een regenintensiteit (rp) van 0,07 l/s.m² vooropgesteld.

Bij wijze van vergelijking moet de normale afvoerinstallatie volgens de norm NBN 306 berekend worden voor een regenintensiteit (rn) van 0,05 l/s.m². Deze waarde stemt overeen met een bui met een terugkeerperiode van 15 jaar en een duur van 2 minuten.

Voor de berekening van het door het nooduitlaatsysteem af te voeren debiet, dient men een onderscheid te maken tussen een situatie waarbij de goede werking van de normale afvoerinstallatie verzekerd blijft bij het optreden van een uitzonderlijke bui en een situatie waarbij dit niet het geval is.

In het eerste geval gebeurt de berekening van het af te voeren debiet Qp als volgt :
Qp = (rp - rn) . A (l/s) = 0,02 . A (l/s),
waarbij :
  • rp = de regenintensiteit van een bui met een terugkeerperiode van 100 jaar (0,07 l/s.m²)
  • rn = de regenintensiteit van een bui met een terugkeerperiode van 15 jaar (0,05 l/s.m²)
  • A = de oppervlakte die regen ontvangt (m²) :
    • bij vrijstaande daken stemt A overeen met de horizontale dakprojectie
    • indien er op het dak één of meer hoger gelegen gevels uitmonden, dan moet de horizontale dakoppervlakte vermeerderd worden met de helft van de geveloppervlaktes.
Capaciteit van drie cirkelvormige spuwers uit PVC.
Capaciteit van drie cirkelvormige spuwers uit PVC.


In het tweede geval wordt het af te voeren piekdebiet als volgt berekend :
Qp = rp . A (l/s) = 0,07 . A (l/s).

De Infofiche bevat ook een aantal ontwerpaanbevelingen voor spuwers (d.w.z. horizontale openingen doorheen de opkant van het dak) en noodafvoerkolken. Beide elementen bevinden zich gewoonlijk op een hoogte van 50 mm boven de normale afvoerkolken.

In het geval van rechthoekige spuwers wordt de vereiste breedte L als volgt bepaald :



waarbij :
  • Qp = het door de spuwer af te voeren debiet (l/s)
  • hp = de waterhoogte boven de onderste rand van de spuwer. Deze is afhankelijk van de maximaal toelaatbare waterhoogte op het dak, die gewoonlijk gelijkgesteld wordt aan 75 mm (behoudens andersluidende bepalingen door de ontwerper van de draagconstructie). In dit geval stemt hp dus overeen met 75 - 50 = 25 mm.
De curves uit bovenstaande afbeelding geven op hun beurt een idee over de capaciteit van drie cirkelvormige spuwers uit PVC met een diameter van 75, 110 en 125 mm. Hieruit kan men afleiden dat deze drie spuwers voor een waterhoogte hp van 25 mm vrijwel dezelfde capaciteit vertonen : 0,3 l/s. Als de maximale waterhoogte op het dak beperkt is tot 75 mm, heeft het bijgevolg slechts weinig zin om spuwers met een grotere diameter te plaatsen. Indien de goede werking van de normale afvoerinstallatie bij het optreden van een uitzonderlijke bui gewaarborgd blijft, stemt deze capaciteit van 0,3 l/s overeen met de hoeveelheid regenwater op een horizontale dakoppervlakte van 15 m². Zoniet, komt voornoemde capaciteit slechts overeen met de waterhoeveelheid op een dakoppervlakte van 5 m². Deze cijfers impliceren dat cirkelvormige spuwers doorgaans niet als volwaardige noodafvoeren beschouwd kunnen worden.

Wat de berekening van de diameter D van een noodafvoerkolk betreft, kan men een beroep doen op de norm NBN EN 12056-3. Hierin worden twee formules onderscheiden :
  • indien hp ≤ D/2 :



  • indien hp > D/2 :

waarbij :
  • Qp = het door de kolk af te voeren debiet (l/s)
  • D = de diameter van de noodafvoerkolk (mm)
  • hp = de waterhoogte boven de noodafvoerkolk (mm)
  • k0 = een factor die de eventuele aanwezigheid van een rooster boven de kolk in rekening brengt (zonder rooster is k0 = 1, met een rooster is k0 = 0,5).

Infofiche weldra beschikbaar



K. De Cuyper, ir., coördinator van de Technische Comités, WTCB