Verwarming en klimaatregeling

Luchtvervuiling en centrale-verwarmings­installaties : nieuwe regels in het Waalse Gewest 2009/03.13

In het kader van de Europese Energieprestatierichtlijn voor gebouwen van 16 december 2002 zag het Waalse Gewest zich ertoe verplicht om de oude federale reglementering van 1978 ter preventie van de luchtvervuiling, teweeggebracht door centrale-verwarmingsinstallaties, aan te passen. In het Vlaamse Gewest gebeurde dit reeds een tijdje terug en ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is deze regelgeving momenteel in voorbereiding.

Wettelijke referenties

Overeenkomstig de Europese richtlijn legt het nieuwe Waalse besluit van 29 januari 2009 (gewijzigd op 18 juni 2009) eisen vast om de luchtvervuiling, teweeggebracht door centrale-verwarmingsinstallaties, bestemd voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water, te beperken en het energieverbruik ervan te verminderen. Dit besluit trad in voege op 29 mei 2009, met uitzondering van enkele artikels die pas van kracht zullen worden in 2011 en 2012. Het (federale) koninklijke besluit van 6 januari 1978 ter preventie van de luchtvervuiling tengevolge van de verwarming van gebouwen met vaste of vloeibare brandstoffen werd ingetrokken.

Toepassingsgebied

De reglementering is van toepassing op (nieuwe en bestaande) centrale-verwarmingsinstallaties die werken op water, lagedrukstoom of thermische olie en die uitgerust zijn met minstens één warmtegenerator die de vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen verbrandt (bv. hout-, mazout- of gasketels). Centrale-verwarmingssystemen die werken op warme lucht en gedecentraliseerde verwarmingstoestellen (bv. kachels) worden buiten beschouwing gelaten, net zoals doorstroomapparaten en badgeisers zonder warmwateropslagtank.

Werkzaamheden aan centrale-verwarmingsinstallaties

Elke werkzaamheid aan het brandergedeelte van een warmtegenerator, gevoed door een vloeibare of gasvormige brandstof, mag slechts uitgevoerd worden door een erkende technicus. Er werden dan ook overgangsmaatregelen voorzien opdat de technici, erkend vóór het van kracht worden van de reglementering, hun beroep verder zouden kunnen blijven uitoefenen.

Periodieke controle

Centrale-verwarmingsinstallaties moeten regelmatig gecontroleerd worden. Voor vaste en vloeibare brandstoffen gebeurt dit minstens één keer per jaar, voor gasvormige brandstoffen één keer om de drie jaar. Ook na iedere werkzaamheid aan het brandergedeelte van de warmtegenerator is een controle vereist. De effectieve vankrachtwording van deze eis werd evenwel uitgesteld in afwachting van het verschijnen van de nodige voorschriften inzake de meetopeningen en het model van controleattest.

Bij gebrek aan specifieke richtlijnen blijkt het verplichte onderhoud van verwarmingsinstallaties niet meer toepasbaar in de praktijk. Dit neemt echter niet weg dat een dergelijk onderhoud noodzakelijk is voor de goede werking van de installatie op lange termijn.

De stookruimte

De stookruimteIn nieuwe gebouwen moeten de stookruimten waarin de warmtegeneratoren ondergebracht zijn al naargelang het geval in overeenstemming zijn met de normen NBN B 61-001, NBN B 61-002, NBN D 51-003, NBN D 51-004 en/of NBN D 51-006. Deze eis geldt ook voor luchttoevoer- en luchtafvoersystemen en rookgasafvoersystemen (schoorstenen). In bestaande gebouwen dienen de stookruimten bij de eerste periodieke controle ofwel te beantwoorden aan de regels der goede praktijk die van toepassing waren bij de plaatsing van de centrale-verwarmingsinstallatie ofwel aan de voorschriften waaraan ze later onderworpen werden.

Diepgaande diagnose

Centrale-verwarmingsinstallaties die werken op water en waarvan het nominale opgestelde vermogen groter is dan 20 kW moeten binnen de twee jaar nadat de stookketel of de brander 15 jaar geworden is aan een diepgaande diagnose onderworpen worden. Deze leeftijd wordt geteld vanaf de installatiedatum of - bij gebrek hieraan - vanaf het bouwjaar van de warmtegenerator. De effectieve vankrachtwording van deze eis werd evenwel uitgesteld in afwachting van het verschijnen van een offi­ciële diagnosemethode en een aangepast rekenprogramma.

Bijkomende maatregelen

In de besluiten zijn nog enkele bijkomende technische maatregelen opgenomen die van toepassing zullen worden op 1 januari 2011 en betrekking hebben op installaties die werken op vloeibare en gasvormige brandstoffen :
  • beperking van het in eenzelfde stookruimte opgestelde vermogen (nieuwe installaties)
  • installatie van de warmtegenerator door of onder de verantwoordelijkheid van een erkende technicus
  • eerste inwerkingstelling door een erkende technicus
  • uitvoering van de oplevering van een nieuwe warmtegenerator binnen de 15 dagen volgend op de eerste inwerkingstelling.
De twee volgende technische maatregelen zullen op hun beurt van kracht worden op 29 mei 2011 :
  • verplichting om de meetresultaten die gegenereerd worden door de meettoestellen vast te nieten aan het controleattest
  • technische specificaties en verplichte controle en ijking van de meetuitrusting.


Volledig artikel


C. Delmotte, ir., laboratoriumhoofd, laboratorium 'Luchtkwaliteit en ventilatie', WTCB