Plaatmaterialen en hun toepassingen (vervangen door de WTCB-Dossiers 2015/2.20)

Er is tegenwoordig een uitgebreid gamma aan plaatmaterialen beschikbaar met de meest uiteenlopende prestaties en toepassingsgebieden. Om de schrijnwerker te helpen bij het maken van de juiste keuze, overlopen we in dit artikel welke plaattypes geschikt zijn voor welke toepassingen.

Samenstelling en opbouw

Elk plaattype heeft een specifieke opbouw en samenstelling, die bepalend zijn voor de fysische en mechanische prestaties ervan. Hierna geven we een bondige beschrijving van de vier meest voorkomende plaattypes :
  • spaanplaat is een houtachtig plaatmateriaal dat opgebouwd is uit kleine deeltjes hout (spanen) of andere lignocellulosehoudende materialen, waarvan de onderlinge hechting verzekerd wordt door een organisch bindmiddel. De volumieke massa van dit plaattype neemt af naarmate men de kern benadert. In de regel bevinden de grofste spanen zich in het midden
  • OSB (oriented strand board) is samengesteld uit verschillende lagen houtschilfers met een welbepaalde vorm en dikte, die onderling verbonden worden met behulp van een bindmiddel. OSB-platen zijn gewoonlijk opgebouwd uit drie lagen, waarbij de schilfers van de buitenlagen evenwijdig lopen met de plaatlengte, terwijl deze van de binnenlaag ofwel willekeurig verstrooid zijn of de lengterichting van de plaat kruisen
  • multiplex is opgebouwd uit verschillende lagen fineer, die in tegengestelde nerfrichting op elkaar gelijmd worden. De vezels van de twee buitenste fineren, dekfineren of buitenlagen genoemd, lopen in dezelfde richting en zijn aldus bepalend voor het uitzicht van de plaat. De kern bestaat uit een oneven aantal kruiselings gepositioneerde lagen, blindfineren of binnenlagen genoemd, met een symmetrische opbouw ten opzichte van de centrale laag
  • MDF (medium density fibreboard) is een houtvezelplaat, waarbij het als grondstof gebruikte rondhout eerst verspaand en vervolgens verder vervezeld wordt tot men vezels van de gewenste grootte bekomt. Daarna worden de aldus verkregen vezels belijmd en naar een strooi-installatie gebracht, alwaar ze in één laag uitgestrooid worden. Zodoende ontstaat er een vezeltapijt dat bijna 30 maal zo dik is als de plaat aan het einde van de productieketen. Na het persen worden de platen tenslotte op maat gezaagd.

Mechanische karakteristieken

De prestaties van de platen kunnen sterk verschillen al naargelang van de gebruikte houtsoort, het lijmtype, de lijmhoeveelheid, de eventuele toeslagstoffen en de volumieke massa. Gewoonlijk gaat men ervan uit dat de mechanische sterkte van de platen toeneemt met hun volumieke massa. In deze context onderscheidt men voornamelijk :
  • de treksterkte loodrecht op de vlakken : indien de onderlinge hechting van de spanen ontoereikend is, kan de plaat tijdens het fineerproces of bij het aanbrengen van de verbindingsmiddelen (bv. deuvels) beginnen splijten
  • de buigsterkte : spaanplaten voor gebruik in meubels of als bekleding zijn doorgaans slechts onderhevig aan geringe belastingen, zodat hun mechanische sterkte beperkt kan blijven. Voor structurele toepassingen is het daarentegen noodzakelijk platen met een hogere draagkracht te gebruiken
  • de elasticiteitsmodulus : naarmate de elasticiteitsmodulus groter is, zal de doorbuiging van de plaat onder belasting kleiner zijn.

Welke plaat voor welke toepassing ?

De CE-markering van plaatmaterialen voor de bouw volgens de norm NBN EN 13986 is verplicht sedert 2006. Deze markering wordt aangebracht op de plaat of op het etiket en verwijst onder meer naar het plaattype en zijn technische klasse. Deze laatste stemt overeen met een plaatklasse die gelinkt wordt aan de plaatprestaties voor een gegeven gebruik. De beoordeling van de plaat gebeurt aan de hand van de desbetreffende norm (zie organigram).

De verschillende plaattypes kunnen niet in om het even welke situatie gebruikt worden. Het organigram, dat gebaseerd is op de beslissingsboom van het CEN TC 112, geeft aan welke technische plaatklassen gebruikt kunnen worden voor een voorziene praktijktoepassing, zodanig dat de schrijnwerker een geschikte keuze kan maken.

Elke rij vertegenwoordigt een welbepaald plaatmateriaal (spaanplaat, multiplex, MDF, OSB), waarbij de mechanische en fysische prestaties toenemen van rechts naar links. De schrijnwerker zal dus steeds een plaattype mogen gebruiken dat zich op dezelfde rij links van de voorziene toepassing bevindt (deze plaat zal immers betere prestaties vertonen dan deze die strikt noodzakelijk zijn).

De kolommen stellen op hun beurt een aantal verschillende plaattypes voor die onder gelijkaardige omstandigheden gebruikt kunnen worden. Een leeg vakje duidt aan dat er voor de betreffende plaatfamilie en de voorziene toepassing geen specifieke technische klasse voorhanden is. In voorkomend geval dient men ofwel te opteren voor een ander plaattype, ofwel binnen dezelfde familie te kiezen voor een plaat met betere prestaties (het vakje dat zich links van het lege vakje bevindt).

De vakjes met een rood kruis geven aan dat de voorziene toepassing vooralsnog niet mogelijk is voor de betreffende plaatfamilie.

Droog, vochtig of buitenmilieu

De technische klasse van de plaat is afhankelijk van het milieu waarin deze gebruikt zal worden. In de norm NBN EN 1995-1-1 worden de volgende milieus onderscheiden :
  • een droog milieu (klimaatklasse 1) : milieu gekenmerkt door een vochtgehalte in de materialen dat overeenkomt met een temperatuur van 20 °C en een relatieve vochtigheid van de omringende lucht die slechts enkele weken per jaar hoger is dan 65 %. Een plaattype voor gebruik in een droog milieu is eveneens geschikt voor gebruik in de risicoklasse voor biologische aantasting 1 volgens de norm NBN EN 335-3
  • een vochtig milieu (klimaatklasse 2) : milieu gekenmerkt door een vochtgehalte in de materialen dat overeenkomt met een temperatuur van 20 °C en een relatieve vochtigheid van de omringende lucht die slechts enkele weken per jaar hoger is dan 85 %. Een plaattype voor gebruik in een vochtig milieu is eveneens geschikt voor gebruik in de risicoklassen voor biologische aantasting 1 en 2 volgens de norm NBN EN 335-3
  • een buitenmilieu (klimaatklasse 3) : milieu waarin de platen gekarakteriseerd worden door een vochtgehalte dat nog hoger kan zijn dan in de voornoemde klassen. Een plaattype voor gebruik in een buitenmilieu is eveneens geschikt voor gebruik in de risicoklassen voor biologische aantasting 1, 2 en 3 volgens de norm NBN EN 335-3 (1).
Hoewel bepaalde plaattypes (zie organigram) weldegelijk gebruikt kunnen worden in de klimaatklasse 3, willen we erop wijzen dat de plaatprestaties sterk kunnen verminderen bij afwezigheid van een aangepaste verduurzamingsbehandeling (bv. in geval van een niet-duurzame houtsoort) en/of indien er geen afwerking van het oppervlak en de snijvlakken voorzien werd. De levensduur van de platen is ook sterk afhankelijk van hun blootstelling, van het type en het onderhoud van de oppervlakteafwerking, evenals van de voegen tussen de platen.

Structurele toepassingen

In het organigram wordt een onderscheid gemaakt tussen platen voor structurele en niet-structurele toepassingen :
  • de eerstgenoemde platen worden gewoonlijk aangeduid als 'werkende' platen en zijn bestemd voor het ontwerp en de constructie van gebouwonderdelen die belastingen moeten opnemen : muren, vloeren, windverbanden (wanden die mee instaan voor de dwarse stabiliteit van de constructie), daken of I-balken. Men maakt nog een bijkomend onderscheid tussen gewone structurele platen (voor algemeen structureel gebruik - index 'b') en structurele platen die zware belastingen moeten opnemen (index 'c') (2)
  • de platen uit de tweede categorie (index 'a') worden onder meer gebruikt voor de uitvoering van meubels of als afwerkingsmateriaal. Ze kunnen verder onderverdeeld worden in platen met goede en beperkte mechanische prestaties (schroefhoudend vermogen, buigsterkte).

Gebruiksvoorbeelden

In het organigram zijn eveneens een aantal gebruiksvoorbeelden opgenomen, die verder geïllustreerd worden in onderstaand schema :
  • 1a : meubels, binnenbebordingen, dagstukken van binnendeuren, lichte binnenwanden, … in bewoonde en verwarmde ruimten (binnenklimaatklassen I, II en III volgens Infofiche nr. 11)
  • 1b of 1c (3) : platen voor binnenvloeren, ondergronden voor warme daken, windverbanden (geplaatst langs de binnenzijde), …
  • 2a : afwerkingsplaten in binnenruimten die geen deel uitmaken van het beschermde volume van het gebouw of in vochtige ruimten die gekarakteriseerd worden door een binnenklimaatklasse IV, platen onder luifels of dakoversteken (voor zover er geen risico bestaat op een rechtstreekse bevochtiging), …
  • 2b of 2c (3) : windverbanden van buitenmuren (geplaatst langs de kant van de luchtspouw), ondergronden voor afdichtingen, …
  • 3a (4) : randplanken, buitenbebordingen, … (5)
  • 3b : structurele buitentoepassingen (platen die mee instaan voor de dwarse stabiliteit van de constructie en die rechtstreeks bevochtigd worden aan de buitenzijde).
Gebruiksvoorbeelden voor de verschillende plaattypes.
Gebruiksvoorbeelden voor de verschillende plaattypes.


(1) Volgens de norm NBN EN 13986 is de klimaatklasse 3 eveneens van toepassing op de risicoklasse voor biologische aantasting 4. Het gaat hier om platen die in contact staan met de grond of met zacht water, en die aldus permanent blootgesteld zijn aan een bevochtiging. Het gebruik van houten platen in deze biologische klasse is minder geschikt en wordt in principe niet aanbevolen.
(2) De term 'zware belastingen' wordt niet nader bepaald. Voor de keuze tussen deze twee plaattypes baseert men zich op een berekening waarin onder meer rekening gehouden wordt met de op te nemen belastingen (gebruikscategorie volgens de NBN EN 1991-1-1-ANB) en de geometrische eigenschappen van de platen (overspanning, dikte, …).
(3) Voor de keuze tussen deze twee plaattypes baseert men zich op een berekening die rekening houdt met de op te nemen belastingen (gebruikscategorie volgens de NBN EN 1991-1-1-ANB) en de geometrische eigenschappen van de platen (overspanning, dikte, ...).
(4) De levensduur zal sterk afhankelijk zijn van de blootstelling van de plaat, van de aangebrachte oppervlakteafwerking en het onderhoud ervan.
(5) De voegen tussen de platen kunnen behoren tot een hogere risicoklasse (volgens de NBN EN 335-3) dan klasse 3 (permanente bevochtiging).

Organigram voor de keuze van een geschikte technische plaatklasse.
Organigram voor de keuze van een geschikte technische plaatklasse.



Volledig artikel


S. Charron, ir., projectleider, laborato­rium 'Ruwbouw- en afwerkingsmaterialen', WTCB
G. Dekens, lic., onderzoeker, laboratorium 'Dak- en gevelelementen', WTCB
Y. Martin, ir., afdelingshoofd, afdeling 'Materialen', WTCB