Rimpelvorming in de dakafdichting vermijden 2009/03.07

Op dit ogenblik wordt de laatste hand gelegd aan een Technische Voorlichting over de mechanische bevestiging van afdichtingen op geprofileerde staalplaten. Bij lichte constructies zoals daken dient men rekening te houden met het feit dat er differentiële vervormingen mogelijk zijn tussen de draagvloer en de muren. De detaillering van de dakranden moet dan ook in aanmerking genomen worden vanaf de ontwerpfase.
Afb. 1 Rimpelvorming in de dakafdichting.
Afb. 1 Rimpelvorming in de dakafdichting.
Als gevolg van de doorbuiging en de hygrothermische werking van de dakvloer en de opstand kunnen er differentiële vervormingen ontstaan, die aanleiding kunnen geven tot rimpelvorming in de afdichting (afbeelding 1), en dit ongeacht haar bevestigingswijze.

Indien het dichtingsmembraan elastisch genoeg is, zal dit fenomeen de functionaliteit ervan normaalgesproken niet in het gedrang brengen. Bij andere types afdichtingen, zoals bitumineuze membranen, dient men evenwel in het achterhoofd te houden dat voornoemde differentiële vervormingen in bepaalde omstandigheden aan de grondslag kunnen liggen van hun beschadiging.

Om de vrije vervorming van de constructie niet in het gedrang te brengen, dient men elke starre verbinding tussen de dakvloer en de muur te vermijden.

Indien de draagvloer opgebouwd is uit geprofileerde staalplaten, zou men rondom het dak (zowel in de dwars- als de langsrichting van het gebouw) een losse metalen opstand (afbeelding 2, nr. 4) moeten voorzien, die per staalplaat op minstens twee golven bevestigd wordt. Deze opstand doet voornamelijk dienst als ondersteuning van het dampscherm en de thermische-isolatieplaten ter hoogte van de dakranden, maar kan tevens gebruikt worden voor de uitvoering van de verplichte kimfixatie.

Men dient echter ook rekening te houden met het feit dat deze metalen opstand twee belangrijke nadelen vertoont : enerzijds kan hij bij verwarmde gebouwen aanleiding geven tot het ontstaan van koudebruggen en anderzijds veroorzaakt hij een onderbreking van het dampscherm ter hoogte van de wanden.

Afb. 2 Plaatsing van een losse metalen opstand ter beperking van de rimpelvorming in de afdichting.
Afb. 2 Plaatsing van een losse metalen opstand ter beperking van de rimpelvorming in de afdichting.
  1. Draagstructuur
  2. Draagvloer (geprofileerde staalplaten)
  3. Steunprofiel (met isolerende kern)
  4. Losse metalen opstand
  5. Dampscherm
  6. Thermische isolatie
  7. Dichtingsmembraan
  8. Thermische isolatie van de opstand
  9. Uitzettingsmogelijkheid in de afdichting
  10. Spouwafdekking
  11. Metalen muurkap

Teneinde deze koudebruggen te beperken, kan men de opstand voorzien van een thermische isolatie met een minimale dikte van 3 cm (afbeelding 2, nr. 8).

Om te vermijden dat er inwendige condensatie zou ontstaan, met alle problemen vandien, dient men er in eerste instantie op toe te zien dat de aansluiting tussen het dichtingsmembraan en de dakranden luchtdicht uitgevoerd wordt. Dit gebeurt in de regel door het membraan continu te laten doorlopen tot tegen of tot op de dakranden.

Gelet op de te verwachten differentiële bewegingen aan de aansluiting van de afdichting met de dakranden, dient men ervoor te zorgen dat het dichtingsmembraan op deze plaats over een voldoende uitzettingsmogelijkheid beschikt (afbeelding 2, nr. 9).

Elastische membranen kunnen, mits bepaalde voorzorgen, continu over of tegen de dakranden doorlopen. Voor andere types afdichtingen opteert men doorgaans ofwel voor het gebruik van elastische verbindingsstroken die waterdicht met de dakafdichting kunnen worden verbonden, ofwel voor dezelfde werkwijze als bij elastische membranen. In dit laatste geval dient men tijdens het normale onderhoud van het dak steeds na te gaan of de eventuele rimpelvorming ter hoogte van deze detailleringen geen schade veroorzaakt.

Dit onderwerp zal nader toegelicht worden in de herziening van de TV 191 'Het platte dak. Deel 2 : aansluitingen en afwerking'.

Zoals hiervoor vermeld, is de onderbreking van het dampscherm ter hoogte van de dakranden bij dergelijke lichte constructies onvermijdelijk en eigen aan het concept. Voor gebouwen tot binnenklimaatklasse II hoeft men hierdoor evenwel geen noemenswaardige condensatieproblemen te vrezen, voor zover de luchtdichtheid van de aansluiting gewaarborgd is.

Voor gebouwen uit binnenklimaatklasse III of hoger, lijkt de aanwending van een dakopbouw met geprofileerde staalplaten ons daarentegen minder opportuun.


E. Mahieu, ing., hoofdadviseur, afdeling 'Technisch advies', WTCB