Vorstweerstand van baksteen : gebreken van de Europese methode 2009/03.02

In juni 2006 werd er een nieuwe Europese methode ter bepaling van de vorstweerstand van elementen uit baksteenmetselwerk gepubliceerd onder de vorm van de technische specificatie CEN/TS 722-22. Om de strengheid van deze methode ten opzichte van de bestaande, geschikt geachte Belgische norm te beoordelen, hebben het WTCB en het CWOBKN gezamenlijk een prenormatief onderzoek opgezet. Dit artikel geeft een overzicht van de eruit voortvloeiende besluiten en aanbevelingen.

CE-markering en status van de CEN/TS

De CE-markering volgens de norm NBN EN 771-1 'Voorschriften voor metselstenen. Deel 1 : metselbaksteen' is verplicht sedert 2006. Voor wat betreft de duurzaamheid, stelt deze norm dat de beoordeling en de declaratie van de vorstweerstand moeten gebeuren met behulp van de blootstellingsklasse (F0 : passieve klimatologische omstandigheden, F1 : gematigde klimatologische omstandigheden, F2 : strenge klimatologische omstandigheden) die weerhouden werd in de voorschriften die gelden op de plaats van toepassing, en dit voor zover er geen Europese methode voorhanden is. Dit stelt de producenten voor een dilemma, aangezien er in de CEN/TS 772-22 inderdaad een methode beschreven wordt, maar dit document geen normstatus heeft. In België wordt de declaratie van de klasse F2 na uitvoering van de proef volgens de CEN/TS vooralsnog niet ondersteund in het kader van de vrijwillige kwaliteitsattestering (BENOR-label, afgeleverd door BCCA). Hoewel dit niet letterlijk vermeld staat in de reglementeringen, is het met andere woorden toegestaan deze klassen te declareren volgens de principes uit de geldende Belgische methode.

Experimentele vergelijking van de methoden

Om de Europese en de Belgische vorstproef onderling te kunnen vergelijken, werd er een gedetailleerde parameterstudie uitgevoerd op een tiental baksteentypes (impregnatieniveau, aantal vorst-dooicycli, …). Hierbij ging men eerst en vooral over tot de optekening van de baksteentemperatuur op verschillende dieptes. Ter beoordeling van de strengheid werd er vervolgens gezocht naar kwantitatieve inspectiemethoden met het oog op de detectie en objectivering van de optredende schade (bv. vermindering van de dynamische elasticiteitsmodulus, verlies aan cohesiesterkte). Een verdere optimalisering van deze methoden dringt zich evenwel nog op. In 2008 vond er tenslotte een reeks interlaborato­riumproeven plaats, waarbij vijf Belgische laboratoria elk een welbepaald baksteentype beproefden volgens de Europese en de Belgische methode.

Afb. 1 Vorstproef op muurtjes volgens de CEN/TS 722-22.
Afb. 1 Vorstproef op muurtjes volgens de CEN/TS 722-22.
Afb. 2 Bepaling van de dynamische elasticiteitsmodulus.
Afb. 2 Bepaling van de dynamische elasticiteitsmodulus.

De Europese methode wijkt voornamelijk af van de Belgische door de vorm van het proefstuk. Bij de Europese methode maakt men immers gebruik van een proefmuurtje met voegen uit rubber of mortel, terwijl de Belgische uitgevoerd wordt op vijf in een zandbed geplaatste bakstenen. Daarnaast wordt de Europese methode gekenmerkt door een lager impregnatieniveau (impregnatie door onderdompeling van 7 dagen i.p.v. onder geheel of gedeeltelijk vacuüm), door het feit dat de fasen doorlopen worden gedurende een andere tijdsduur en onder verschillende omstandigheden, door het feit dat de ontdooiing tot stand komt door een temperatuurstijging en een korte besproeiing i.p.v. door een volledige onderdompeling in water en, tenslotte, door een veel groter aantal 'opgelegde' cycli (100 i.p.v. 20).

Bij de directe vorstproef volgens de Belgische methode worden de vriestemperaturen veel trager bereikt, maar ook veel langer aangehouden. De baksteen ontdooit bovendien veel bruusker (volledige onderdompeling) en gelijkmatiger (elke cyclus wordt gekenmerkt door een volledige bevriezing en ontdooiing) dan bij de Europese methode. Deze laatste wordt gekenschetst door een eerste reeks cycli waarbij de achterzijde van de baksteen niet bevriest en een tweede reeks cycli waarbij enkel de voorkant van de baksteen ontdooit.

Uit de proefcampagne is gebleken dat de Belgische methode een stuk strenger is dan de huidige Europese. Zo kwam de klasse F2 uit de CEN/TS in het beste geval slechts overeen met de klasse 'normale vorstweerstand' volgens de Belgische methode. Mocht de Europese methode echter uitgevoerd worden met een impregnatie onder volledig vacuüm, geven de behaalde resultaten aan dat deze, bij eenzelfde impregnatieniveau, strenger zou zijn dan de Belgische.

Besluit

Wij zijn van mening dat het ook nog in de toekomst aan te bevelen is te steunen op de voorschriften uit de Belgische methode en gebruik te maken van bakstenen die ofwel volgens deze methode beproefd werden, of waaraan in hun technische fiche de vermelding 'hoge vorstweerstand' of 'normale vorstweerstand' volgens de norm NBN B 27-009/A2 'Keramische producten voor wand- en vloerbekleding. Vorstbestandheid. Vorst-dooicyclussen' toegekend werd. De lijst met producenten van metselbakstenen die naast de CE-markering eveneens beschikken over een BENOR-label (afgeleverd door BCCA), is opgenomen op de BCCA-website : www.bcca.be.


Volledig artikel


A. Smits, ir., projectleider, laboratorium 'Ruwbouw- en afwerkingsmaterialen', WTCB
Y. Grégoire, ir.-arch., adjunct-afdelingshoofd, afdeling 'Materialen', WTCB