De meting van de luchtdichtheid : van belang voor iedereen ! 2009/02.14

Door het van kracht worden van de verschillende energieprestatieregelgevingen voor gebouwen (EPB) dient men bijzondere aandacht te besteden aan de luchtdichtheid van bouwwerken. Het behaalde afdichtings­niveau wordt beïnvloed door diverse partijen, die zich hiervan niet altijd bewust zijn. Het meten van de luchtdichtheid is een controlemiddel voor de goede uitvoering van de werken, dat men zeker niet te licht mag opnemen. Gelukkig vormt deze meting ook een interessant hulpmiddel voor het detecteren van luchtlekken, dat alle betrokkenen in staat stelt om hun bouwtechnieken bij te schaven.
Met een goede luchtdichtheid kan men energie besparen, het comfort verbeteren en het E-peil doen dalen : met 5 tot 15 punten, al naargelang van het geval (het reglementaire E-peil is vastgelegd op 100). Om gevaloriseerd te kunnen worden, moet de luchtdichtheid op het einde van de werken bewezen worden met een meting volgens de norm NBN EN 13829 en de bijkomende specificaties die sinds kort van toepassing zijn in de drie Gewesten. Indien deze optionele meting niet uitgevoerd wordt, dient men bij de bepaling van het E-peil rekening te houden met een relatief ongunstige standaardwaarde.

De luchtdichtheid is een eigenschap van het volledige gebouw en belangt bijgevolg alle betrokken bouwpartners aan. Terwijl de ruwbouw, het dak en het schrijnwerk de afdichting van de gebouwschil verzekeren, kunnen de pleisterwerken, het dampscherm en de eventuele houten beplanking een belangrijke bijdrage leveren tot de dichtheid van de wanden. Ook de aansluitingen (ramen, dak, vloerplaat, ...), doorvoeringen en andere ingewerkte elementen (verwarming, sanitair, ventilatie, elektriciteit, ...) kunnen een grote weerslag hebben op de luchtdichtheid.

De verschillende betrokken aannemers kunnen zich dus niet afzonderlijk verbinden tot een welbepaald niveau van luchtdichtheid. Zelfs een aannemer die belast is met de realisatie van een volledig gebouw, moet voorzichtig zijn bij het beloven van een afdichtingsniveau, vooral indien zijn ervaring op dit vlak beperkt is.

1. Principe van de meting

Voor de beoordeling van de luchtdichtheid van de gebouwschil wordt er in het gebouw een overdruk of onderdruk gecreëerd met behulp van een in een deur- of raamopening geïnstalleerde ventilator. Vervolgens meet men het luchtdebiet dat door de ventilator stroomt, en dit bij diverse drukverschillen tussen de binnen- en buitenomgeving. Vermits de openingen van het gebouw (deuren, vensters, ...) gesloten zijn tijdens de meting, stemt dit debiet overeen met dat van de luchtlekken in de gebouwschil. Het totale lekdebiet, meestal vermeld voor een drukverschil van 50 Pa, wordt genoteerd als 50 (hoofdletter V).

2. Uitdrukking van de luchtdichtheid

Afb. 1 Richtwaarden voor 50 en n50.
In het kader van de EPB (www.epbd.be) wordt de luchtdichtheid uitgedrukt door het lekdebiet bij 50 Pa, per oppervlakte-eenheid van de gebouwschil, zijnde 50 (kleine letter v), in (m³/h)/m². De luchtdichtheid wordt ook vaak genoteerd als het luchtverversingsdebiet bij 50 Pa, n50 (in h-1).

Deze twee parameters zijn strikt genomen niet onderling vergelijkbaar, maar zijn meestal wel van dezelfde grootteorde. Ter verduidelijking geeft afbeelding 1 enkele richtwaarden op.

De luchtdichtheid kan verbeterd worden, maar dit moet weldoordacht gebeuren. Niveaus lager dan 3 of zelfs 1 (m³/h)/m² vereisen bijzondere aandacht bij het ontwerp en de uitvoering.

3. Detecteren van lekken

Afb. 2 Lokalisering van een lek met een spoorgas.
Om een goede (of zelfs uitstekende) luchtdichtheid te bekomen, zijn het ontwerp en de uitvoering van de gebouwschildetails uiterst belangrijk. Het is echter onmogelijk om de afdichting nauwkeurig te kwantificeren op voorhand. Het werkelijk behaalde prestatieniveau kan immers enkel nagegaan worden door middel van een dichtheidsproef. Gelukkig kan men met deze test ook de lekken in de gebouwschil opsporen. Zo kan men bepalen welke constructiedetails in goede staat verkeren en deze, die aan de bron blijken te liggen van lekken, verbeteren.

Belangrijke gebreken zijn doorgaans zichtbaar met het blote oog. Indien er een onderdruk heerst in het gebouw, kunnen de lekken gelokaliseerd worden met spoorgassen (afbeelding 2).

Als er op het einde van de werken een meting voorzien is (bv. in het kader van de EPB), kan de aanwezigheid van alle betrokkenen leiden tot een interessante informatie-uitwisseling en tot de onmiddellijke herstelling van bepaalde lekken. De dichtheidsproef kan ook uitgevoerd worden in de loop van de werken wanneer de elementen (zoals het dampscherm) nog toegankelijk en gemakkelijk aan te passen zijn.



S. Caillou, dr. ir., onderzoeker, afdeling 'Energie en Klimaat'


Nuttige informatie
Dit artikel kwam tot stand in het kader van de Technologische Dienstverlening 'Duurzame bouwschil'.