De schrijnwerker : een ambachtsman met groot vakmanschap 2009/01.13

Hoewel een schrijnwerker historisch gezien niet meer of minder was dan een houtbewerker, heeft zijn takenpakket door de progressieve opkomst van nieuwe materialen zoals aluminium, PVC, composieten, ... een sterke uitbreiding gekend. Doordat er momenteel alsmaar strengere eisen opgelegd worden aan het schrijnwerk, moet deze ambachtsman tegenwoordig een zeer groot vakmanschap aan de dag leggen.

Van timmerman tot schrijn­werker

Vermits hun activiteiten in het verleden voornamelijk toegespitst waren op de fabricage en uitvoering van massieve elementen, werden alle houtbewerkers aanvankelijk aangeduid als timmerlui. De termen 'schrijnwerk' en 'schrijnwerker' staken voor het eerst de kop op in 1392 met de oprichting van de kistenmakers-schrijnwerkersgilde. De vermindering van het houtaanbod in de middeleeuwen had als gevolg dat de toenmalige bouwers kun kennis over dit materiaal moesten perfectioneren en nieuwe assemblagetechnieken moesten aanleren om de nuttige sectie te verkleinen. De benaming van schrijnwerker, zonder enig ander epitheton, verscheen pas aan het einde van de 15e eeuw, waarbij men tevens een onderscheid begon te maken tussen schrijnwerkers voor de bouw (lijstwerk, deuren, parket, ...) en meubelmakers.

Buitenschrijnwerk

WTCB-proefpost ter bepaling van de lucht- en waterdichtheidsprestaties van schrijnwerkelementen.
Hoewel de oorsprong van de eerste deuren en vensters terug te voeren is tot de periode waarin de mens sedentair begon te worden en zijn woning zocht te beschermen tegen weer en wind, werd het vensterconcept pas echt ontwikkeld in de loop van de middeleeuwen. Deze ramen waren aanvankelijk vast en voorzien van opengewerkte buitenblinden. Op de eerste beweeglijke ramen was het wachten tot de 17e en vooral de 18e eeuw, met de opkomst van het guillotineraam. Andere belangrijke evoluties waren de ontwikkeling van de eerste kitten, de toename van de glasafmetingen, de vervanging van de stenen kruiskozijnen door vaste houten vensterkruisen, ..., gevolgd door de verschijning van de onderdorpel en de druiplijst aan het einde van de 18e eeuw.

Als gevolg van de mechanisering van de ateliers, de ontwikkeling van preciezere machines en de verstrenging van de thermische eisen, hebben de fabricagetechnieken voor vensterramen in de 19e en de 20e eeuw een aantal grondige wijzigingen ondergaan.

Het is in deze context van technologische aardverschuivingen dat het Technisch Comité 'Schrijnwerken' in 1960 het levenslicht zag. Met bijna 25 Technische Voorlichtingen op zijn actief, waarvan meer dan 10 over de uitvoering en plaatsing van vensters, stelt dit Comité ook vandaag de dag nog alles in het werk om de ambachtsman de nodige informatie aan te reiken om dit constante innovatieproces het hoofd te kunnen bieden.

Het gevel- en dakschrijnwerk moet niet zelden aan diverse tegenstrijdige eisen voldoen. Zo moet het tegenwoordig niet alleen licht, beweeglijk en beglaasd zijn, maar dient het bovendien uiterst goede prestaties te vertonen op het vlak van thermische en akoestische isolatie, zonnewering, lucht- en waterdichtheid, wind-, schok- en inbraakbestendigheid, ... zonder de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit in het gedrang te brengen.

Vermits het schrijnwerk steeds vaker ingewerkt moet worden in wanden die blootstaan aan zeer ongunstige weersomstandigheden (bv. hoge gebouwen) en rekening houdend met de grote diversiteit aan vormen, afmetingen, samenstellingen (hout, PVC, aluminium, ...), openingssystemen (draaideuren, schuifdeuren, ...) en toepassingen (industriële poorten), is het vandaag de dag dikwijls nodig de prestaties ervan te controleren in het laboratorium.

Hiertoe besliste het WTCB reeds in 1969 om zich uit te rusten met een proefpost ter bepaling van de lucht- en waterdichtheidsprestaties van schrijnwerkelementen, teneinde de schrijnwerkers een aantal mogelijke maatregelen ter verbetering van hun realisaties aan de hand te kunnen doen. Deze proefpost kwam goed van pas bij de ontwikkeling van het principe van de dubbele afdichting (tegen water en lucht) en wordt nog altijd geregeld gebruikt, onder meer in het kader van de aflevering van Technische Goedkeuringen door de BUtgb.

Teneinde de KMO's met zo min mogelijk zware investeringen op te zadelen voor de uitvoering van de noodzakelijke proeven om hun ramen en deuren van een CE-mar­kering te kunnen voorzien (verplicht vanaf 1 februari 2010), heeft het WTCB met de steun van de FOD Economie een nieuw onderzoek opgestart ter bepaling van de belangrijkste prestaties van houten vensters (windweerstand, thermische prestaties, ...), in functie van verschillende parameters (hang- en sluitwerk, profielen, ...). Het collectieve gebruik van deze proefresultaten zou de schrijnwerkers in staat moeten stellen te komen tot een betere beheersing van hun productprestaties en zou vooral de voorschrijvers die verwijzen naar de STS 52.0 ten goede moeten komen.

Hoewel men niet kan ontkennen dat de lucht- en waterdichtheid van schrijnwerk belangrijke eigenschappen zijn, dient men zich rekenschap te geven van het feit dat bouwproducten ook nog aan een aantal andere essentiële voorschriften moeten voldoen. Zo is het noodzakelijk het bouwgebeuren in een ruimere context van duurzame ontwikkeling te plaatsen. Teneinde de bouwsector hierbij de nodige ondersteuning te kunnen geven, zet het WTCB alles in het werk om zijn bestaande infrastructuren (o.a. de in 1972 opgerichte proefpost ter bepaling van de akoestisch prestaties van schrijnwerk, lichte binnenwanden en verlaagde plafonds) te diversifiëren naargelang van de behoeften (bv. proefpost ter bepaling van de karakteristieken van zonneweringen door spectrofotometrie).

Dat het WTCB ook aandacht besteedt aan de minder aangename kanten van onze samenleving, mag blijken uit het prenormatieve onderzoek 'Beoordeling van de prestaties van inbraakvertragend schrijnwerk, al dan niet uitgerust met een ventilatiesysteem', dat steunt op een groot aantal proeven en uiteindelijk de TV 206 inzake de mechanische inbraakbeveiliging van schrijnwerk en beglazing moet aanvullen.

Het thema houten bebordingen zal uitgebreid aan bod komen in een nieuwe TV.
De intrinsieke duurzaamheid van materialen in het algemeen en van hout in het bijzonder vormt eveneens een belangrijk onderzoeksthema. Terwijl men vroeger de ontwikkeling van betere verduurzamingsbehandelingen en de invoering van van nature duurzamere exotische houtsoorten privilegieerde, geeft men tegenwoordig de voorkeur aan het gebruik van inheemse houtsoorten om de ecologische voetafdruk van het schrijnwerk te beperken. Teneinde hun duurzaamheid te optimaliseren, is het echter nodig de interactie tussen de oppervlaktebehandelingen en de afwerkingen te verbeteren. Ook inzake houten bebordingen, die tegenwoordig erg in trek zijn, is een zekere vorming en informering van de sector vereist. Het WTCB is dan ook bezig met de opstelling van een TV met duidelijke aanbevelingen over dit onderwerp.

De economische competitiviteit van een schrijn­werkerij mag niet alleen bepaald worden door haar vakbekwaamheid. Een correcte kostprijsberekening is in deze context minstens even belangrijk. Daarom stelde het WTCB hieromtrent reeds in 1982 (TV 142) en 1984 (TV 152) twee Technische Voorlichtingen op. Ook aan de inplanting en de organisatie van het schrijnwerkersatelier werd destijds een grondige studie gewijd.

Binnenschrijnwerk

Hoewel de uitvoering van binnendeuren, trappen, kasten en keukens sinds mensenheugenis tot het takenpakket van de schrijnwerker behoort, hebben deze activiteiten de jongste jaren, mede door de ontwikkeling van de droge afwerkingssystemen, een aantal grondige wijzigingen ondergaan. Ondanks het feit dat de 'droge' gipsplaat in de Verenigde Staten reeds in 1894 gepatenteerd werd, brak het gebruik ervan in ons land pas echt door in de tweede helft van de 20e eeuw. Het succes van deze platen (zowel bij de voorschrijvers als de plaatsers) is voornamelijk toe te schrijven aan hun uitvoeringssnelheid, plaatsingsgemak en waterloze karakter.

Ingevolge de gestage uitbreiding van het beschikbare gamma aan systemen (verlaagde plafonds, verhoogde vloeren, lichte binnenwanden, ...), steken er tegenwoordig talloze nieuwe toepassingsmogelijkheden de kop op. Deze evolutie heeft het WTCB ertoe aangezet drie Technische Voorlichtingen op te stellen over dit thema. Deze naslagwerken zullen binnenkort aangevuld worden met een aantal publicaties, toegespitst op de akoestische isolatie en de brandweerstand van dergelijke elementen.

De brandveiligheid van gebouwen behoort al sinds 1967 (het jaar van de grote brand in de 'Innovation' te Brussel) tot de belangrijkste onderzoeksthema's van het WTCB. Door dit drama werden velen zich bewust van de noodzaak om normen en reglementeringen op te stellen met betrekking tot het brandgedrag van gebouwen en van het feit dat het binnenschrijnwerk in deze context een bepalende rol kan spelen. Het WTCB is bovendien reeds geruime tijd betrokken bij de opleiding van de plaatsers van brandwerende deuren.

Houten vloerbedekkingen

Het gebruik om boomstronken te splijten en in de lengte te verzagen teneinde de aldus bekomen planken toe te passen als scheepsvloer, gaat al eeuwen terug. Toch handelde het zich destijds om plankenvloeren en niet om parket, vermits deze laatste term pas zijn definitieve betekenis kreeg aan het begin van de 17e eeuw.

Hoewel parketvloeren in de daaropvolgende eeuwen met succes toegepast werden in talloze historische gebouwen, hebben ze de laatste jaren een heleboel grondige evoluties gekend die tot doel hadden hun kostprijs te drukken en hun uitvoering te vergemakkelijken. Denken we hierbij maar aan de ontwikkeling van meerlagig parket en de diversifiëring van de plaatsingstechnieken (zwevende plaatsing, ...), de verlijmingsproducten (dispersielijmen, poly­urethaanlijmen, ...), de aard van de ondergrond (bv. anhydrietvloer, vloerverwarming, ...) en de aard van het materiaal (bv. laminaatparket). De Technische Voorlichtingen 82, 103, 117 en 218 getuigen van deze evoluties en van de noodzaak om de parketplaatsers hierover in te lichten.

Gelet op hun ecologische en natuurlijke waarde, zijn parketvloeren tegenwoordig terug heel populair en krijgen de ingenieurs van de afdeling 'Technisch advies' regelmatig vragen voorgeschoteld die verband houden met de beschadiging ervan. De verkorting van de uitvoeringstermijnen, de toename van de breedte van de parketstroken en het veronachtzamen van de plaatsingsvoorwaarden zijn in deze context de grootste boosdoeners. Het is nochtans hier dat de vakman zijn competentie en bekwaamheid ten toon kan spreiden.

Wat zal de toekomst brengen ?

Hoewel de thermische isolatieprestaties van beglazingen de laatste decennia een fenomenale verbetering hebben doorgemaakt, moet men vaststellen dat de warmtedoorgangscoëf­ficiënt (of U-waarde) van bepaalde schrijnwerkprofielen niet in dezelfde mate geëvolueerd is. Niettegenstaande het met de recentste composietprofielen mogelijk is hogere isolatieniveaus te behalen, dringt er zich hierbij nog een verandering van de gewoonten op (bevestiging, assemblage, plaatsing van de beglazing, design van het schrijnwerk, ...).

De huidige kennis op het vlak van zonbeheersingstechnieken, lichttransmissie, fotovoltaïsche energie, motorisering, ... opent nieuwe perspectieven en effent de weg voor de toepassing van zogenoemde intelligente gevels en schrijnwerkelementen. De materialen worden bovendien steeds gediversifieerder met het oog op een beperkter energieverbruik tijdens hun aanwending, fabricage en uitvoering, zodanig dat het beroep van schrijnwerker alsmaar technischer wordt.