Sanitaire installaties : van Knossos tot de ruimtevaart 2009/01.12

De noodzaak om in of nabij zijn woning te beschikken over water, deed zich reeds gevoelen in de antieke oudheid, zoals duidelijk geïllustreerd wordt door het paleis van Knossos met zijn uitgekiende wateraanvoer- en waterafvoersysteem voor de baden en toiletten. Ook de Romeinse villa's waren niet zelden uitgerust met een heus individueel leidingennetwerk. De bewoners van de Romeinse huurkazernes waren dan weer aangewezen op de openbare baden en de publieke toiletten, die echter weinig privacy boden.

Lood verdwijnt

Met de val van het Romeinse rijk raakte de sanitaire technologie vrijwel volledig in de vergetelheid. Als men in de middeleeuwen water nodig had, was men nagenoeg steeds verplicht zich te begeven naar de nabijgelegen rivier of de waterput. Het merendeel der gebouwen was immers niet uitgerust met een waterdistributiesysteem, noch met een systeem voor de afvoer van het afvalwater. Het vuile water werd doorgaans gewoon opgevangen in een pot en vervolgens op straat gekieperd, wat geregeld aanleiding gaf tot grote pest-, tyfus- en cholera­epidemieën.

Het is pas in de 19e eeuw dat men zich ten volle bewust begon te worden van de noodzaak om te beschikken over een distributiesysteem voor zuiver drinkwater en een riolerings­systeem voor de evacuatie van het afvalwater. Vanaf 1850 kende de rioleringsgraad in de steden dan ook een pijlsnelle stijging en werden er talloze sanitaire toestellen ontwikkeld. Dit leidde omstreeks 1883 tot de verschijning van het watercloset : een keramische toiletpot uit één stuk met een waterslot.

Omstreeks 1880 volgde de introductie van gas in de woning. Om het stadsgas te verdelen naar de fornuizen, de verwarmingstoestellen en de binnenverlichtingsinstallaties werd er aanvankelijk gebruik gemaakt van buizen uit lood, een materiaal dat al eeuwenlang aangewend werd voor de waterdistributie. Het nieuwe beroep van gasfitter dat in deze periode het licht zag, was de toenmalige loodgieters op het lijf geschreven, vermits zij hiervoor over de nodige kennis beschikten.

Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen deze loden sanitaire buizen bijna volledig van het toneel, om plaats te maken voor andere mate­rialen zoals koper, verzinkt (of gegalvaniseerd) staal en diverse kunststoffen (PVC, PEX, PP, ...).


De energieproblematiek van de jaren '70 en de daarop volgende milieubewustwording lagen dan weer aan de grondslag van diverse innovatieve ontwikkelingen zoals zonneboilers, waterbesparende kranen, spaardouches en toiletten met een kleiner spoelvolume.

Tezelfdertijd begon ook de interesse voor het thema 'gezond bouwen' en dan vooral voor de le­gionellaproblematiek te groeien. Dit gaf aanleiding tot een volledig nieuwe benadering van de waterverdeelsystemen, waarbij de hygiëne centraal kwam te staan.

Sanitair reglement

De Romeinse latrines boden weinig privacy.
De tendens om woningen van een wateraansluiting te voorzien, dateert van het begin van de 20e eeuw. De meeste huizen werden tegelijkertijd ook uitgerust met een huisriool, die aangesloten werd op het straatrioleringssysteem.

In de buurt van de sanitaire toestellen heerste er echter niet zelden een permanente rioolstank. Dit ongemak werd opgelost door de plaatsing van een waterslot tussen het huis­riool en de straatriolering en door het voorzien van een verluchtingsleiding aan de uitgang van iedere stankafsluiter. Dit mondde veelal uit in redelijk complexe installaties.

Het zoeken naar eenvoudigere afvoerinstallaties was dan ook één van de eerste opdrachten die de loodgieterssector aan het begin van de jaren '60 toevertrouwde aan het WTCB.

Zo verscheen in 1965 de TV 54 'Experimentele studie der lozingsvoorwaarden van sanitaire apparaten'. Dat het onderzoek ook in de jaren daarop een enigszins experimenteel karakter behield, mocht duidelijk blijken bij de opstelling van de TV 85 uit 1971, waarin de aandacht toegespitst werd op de water- en luchtstroming in een standleiding van maar liefst 70 m lang.

Andere recentere wapenfeiten van de WTCB-medewerkers betreffen de opstelling van een 'sanitair reglement', het onderzoek naar het corrosieverschijnsel en de studie van de legionellaproblematiek.

Wat brengt de toekomst ?

Gelet op het huidige streven naar een alsmaar hoger comfort met minder energie, ligt het in de lijn van de verwachtingen dat er in de toekomst verder gewerkt zal worden aan de ontwikkeling van duurzame wellnesstechnieken, waarbij de warmte uit het douche- en badwater gerecupereerd kan worden en het water - na zuivering - eventueel zelfs hergebruikt.

Op het vlak van de water- en de gasverdeling mag men dan weer verdacht zijn op een verdere doorbraak van nieuwe buismaterialen. Wat de waterafvoersystemen betreft, merkt men dat de diameters van de leidingen verkleinen en dat men steeds vaker zijn toevlucht zoekt tot systemen die werken in onderdruk.

Tenslotte willen we de vinger leggen op de steeds verregaandere integratie van elektronica en informatica en op het toenemende belang van de gezondheidsproblematiek.

De ruimtevaarttechnologie kan in deze context als voorbeeld dienen : denken we maar even aan de ontwikkeling van zetels en bedden die geïntegreerde badkamer- en toiletfuncties aanbieden ...