De schilderkunst is ouder dan men zou kunnen denken ... 2009/01.07

De oudste verfsporen dateren van ongeveer 15.000 jaar vóór onze jaartelling en werden zowel teruggevonden in Frankrijk (Lascaux), Spanje (Altamira) als Zuid-Afrika. De toenmalige verven waren samengesteld uit een mengsel van dierlijke vetten en minerale pigmenten. Ook de oude Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen maakten veelvuldig gebruik van verven ter versiering van hun schepen, standbeelden en gebouwen.

Aandacht voor het leefmilieu

Omstreeks het jaar 1100 stelde een Duitse monnik een 'recept' op voor een coating op basis van gekookte lijnolie en amber. Deze samenstelling werd door de jaren heen verder verfijnd, zodat er tegen de 17e eeuw een grote verscheidenheid aan 'formules' bestond met natuurlijke harsen, lijnolie en zelfs alcohol als hoofdbestanddelen.

In de loop van de 18e eeuw kwam er een exponentiële stijging van de vraag naar verf. Ondanks het feit dat er tijdens deze periode ook reeds bepaalde synthetische pigmenten ontwikkeld werden, bleven de basisbestanddelen van deze coatings tot in de 19e eeuw voornamelijk van natuurlijke oorsprong.

In de 20e eeuw grepen er tenslotte belangrijke innovaties plaats in de verftechnologie, onder meer door de ontwikkeling van de polymeerchemie. Dit had een aanzienlijke uitbreiding van het gamma bindmiddelen en kunstharsen tot gevolg, wat gepaard ging met een sterke verbetering van de verfkarakteristieken.

Rond 1920 werden er een aantal solventen ontwikkeld die toelieten om verven te produceren met een veel kortere drogingstermijn. Aan het einde van de jaren '60 stelde men echter vast dat deze solventen een negatieve invloed hadden op het milieu. Uit milieuoverwegingen werd dan ook beslist deze nieuwe technologie af te remmen en over te gaan tot de uitwerking van verven op waterbasis, met een laag solventgehalte, ...

Ook wat de applicatiemethoden betreft, werd er een grote vooruitgang geboekt (spuitpistolen, droging door UV, ...).

Het begon met wandtapijten

De geschiedenis van de soepele muur- en vloerbekledingen gaat minder ver terug dan deze van de verven.

De oudste wandtapijten dateren uit de vijfde eeuw vóór onze jaartelling en hadden in eerste instantie tot doel om de woonvertrekken van de rijkere klassen op te smukken. Het grootschalige gebruik van tapijten als vloerbedekking werd pas mogelijk in de tweede helft van de 19e eeuw, door de industrialisering. Aanvankelijk bestonden de gebruikte vezels uitsluitend uit sisal, wol, katoen of zijde. Kunstvezels deden eerst later hun intrede. Het patent op linoleum liet dan weer op zich wachten tot 1863.

De soepele vloerbedekkingen kenden hun opbloei aan het begin van de 20e eeuw. In deze periode verschenen ook de eerste vloerbekledingen op basis van rubber op de markt. Vloerbedekking op basis van PVC deden tenslotte hun intrede omstreeks 1960.

Codes van goede praktijk

De WTCB-publicaties in het domein van schilderwerk en soepele muur- en vloerbekledingen zijn velerlei. Meestal gaat het hier om codes van goede praktijk of om aanbevelingen om het goede gedrag van de bekleding te waarborgen. Zo verscheen in 1964 een Technische Voorlichting die volledig gewijd was aan de gedraging van verf op buitenmetselwerk. Bij dit onderzoek naar buitenverfsystemen werd gebruik gemaakt van specifieke testoppervlakken die toelieten om het gedrag van de beproefde verven te observeren onder reële buitenomstandigheden.

Op dit ogenblik zijn er een hele reeks TV's in herziening. Dit is het geval voor de TV 159 aangaande schilderwerken en de TV 165 over soepele vloerbekledingen. Tevens is er een nieuwe TV in voorbereiding, die toegespitst zal zijn op de applicatie van opzwellende verfsystemen op stalen constructies.

Kortere bouwtermijnen

Schilderwerken en de plaatsing van soepele vloerbekledingen maken deel uit van de gebouwafwerking. Teneinde de bouwtermijn te kunnen verkorten, dringt men er soms op aan deze werken zo snel mogelijk aan te vatten. Hierbij is het echter van groot belang dat men kan beschikken over een voldoende droge ondergrond. Vanuit deze optiek heeft het WTCB in 1993 een grondige studie verricht naar het vochttransport in bouwmaterialen. Ook nu nog vinden er in dit kader meetcampagnes plaats.

Bij het aanbrengen van verfsystemen op kalkbepleisteringen dient men voldoende rekening te houden met de wachttijd die in acht genomen moet worden voor de carbonatatie van de kalk. Op vraag van het Technisch Comité 'Schilderwerk' werd dan ook een proefprogramma opgestart in dit verband. De steeds kortere bouwtermijnen hebben er evenwel toe geleid dat het gebruik van kalkpleisters in de binnenafwerking geleidelijk aan het afnemen is, in het voordeel van gipsbepleisteringen.

Toekomstperspectieven

Het gebruik van de rol dateert van de 20e eeuw.
Dankzij de huidige technologische evoluties zou het mogelijk moeten worden verven met verbeterde eigenschappen (bv. zelfherstellende verven) te ontwikkelen. Verder wordt er momenteel gewerkt aan de samenstelling van verfsystemen die de binnenatmosfeer kunnen zuiveren, zuurstof genereren, frisse geuren verspreiden, ... Buitenmuren zouden op hun beurt voorzien kunnen worden van verfsystemen met een positieve invloed op de kwaliteit van de buitenlucht.

Op het gebied van soepele vloerbedekkingen wordt er vandaag de dag voornamelijk gezocht naar manieren om te komen tot een verhoogd comfort (akoestisch comfort, thermisch comfort, verbeterde slipweerstand, antibacteriële werking, ...).