Plaatsingstechnieken voor vloerbetegelingen
Vloerbetegelingen zijn onvermijdelijk onderhevig aan allerhande spanningen die zich voordoen in of tussen de verschillende lagen van de vloeropbouw en die inherent kunnen zijn aan de plaatsingstechniek. In dit artikel gaan we daarom nader in op de manier waarop deze spanningen zich voortplanten in de vloeropbouw, rekening houdend met deze verschillende plaatsingstechnieken.1. Traditionele plaatsing
Afb. 1 Opwelving van een betegeling op een gestabiliseerd zandbed.
Wanneer de vloerbedekking afkoelt, zal deze onderhevig zijn aan trekspanningen die ze gewoonlijk niet zal kunnen opnemen, gelet op de afwezigheid van wapening en de beperkte mechanische sterkte van het gestabiliseerde zandbed en de legmortel. Als het temperatuursverschil oploopt, kunnen de trekspanningen zodanig groot worden, dat ze scheuren teweegbrengen in de vloerbedekking.
Naast deze spanningen van thermische aard, dient men tevens rekening te houden met de spanningen die ontstaan door de onvermijdelijke krimp van de legmortel. Deze leidt tot drukspanningen in de tegels, trekspanningen in de mortel, schuifspanningen in de buurt van de onderbrekingen (zoals de randen van de tegels), evenals tot een buigmoment. Gelet op voornoemde spanningen is de traditionele plaatsing van dunne keramische tegels af te raden indien deze weinig poreus zijn (waterabsorptie < 3 massapercent), onderhevig kunnen zijn aan aanzienlijke temperatuursschommelingen en/of onderworpen kunnen worden aan zware mobiele belastingen. In deze gevallen zouden enkel dikke (> 12 mm) kleinformaattegels (≤ 0,1 m²) weerhouden mogen worden voor deze plaatsingstechniek, voor zover het gestabiliseerde zandbed over toereikende mechanische prestaties beschikt (van dezelfde grootteorde als deze van de dekvloer, d.w.z. 8 N/mm² onder druk) en de legmortel vergelijkbare karakteristieken vertoont.
2. Plaatsing van de betegeling op een hechtende dekvloer
Indien de betegeling geplaatst wordt op een dekvloer die aan zijn ondergrond hecht, kunnen de thermische belastingen en de spanningen tengevolge van de krimp van de dekvloer zich cumuleren en spanningen teweegbrengen in of tussen de verschillende lagen. De omvang van deze spanningen is afhankelijk van de grootte en de zin van de temperatuursschommelingen, de termijnen tussen de uitvoering van de diverse lagen, de samenstelling van de dekvloer, de hechting, ...Om de hechting van de dekvloer aan zijn ondergrond te waarborgen, zou deze laatste steeds een specifieke voorbereiding moeten krijgen. Bovendien mag de dekvloer niet dikker zijn dan 40 mm indien men wenst te rekenen op een correcte verdichting van zijn onderste gedeelte. De plaatsing van de betegeling door het inkloppen in een verse dekvloer (wat dikwijls weerhouden wordt indien de dimensionale toleranties op de tegels aan de ruime kant zijn) geeft aanleiding tot maximale spanningen, vermits de totale krimp van de dekvloer nog moet plaatsvinden na de plaatsing van de betegeling. In deze context zou men zijn toevlucht kunnen nemen tot een cementpap met toegevoegde hechtemulsie of tot het gebruik van een mortellijm (hechtingsmiddel, gebruiksklare mortel), die speciaal ontwikkeld werd voor toepassing op een verse dekvloer.
De hechtende plaatsing van de dekvloer en de betegeling laat doorgaans toe weerstand te bieden aan redelijk zware mechanische belastingen, voor zover de dekvloer een toereikende cohesie vertoont. In de buurt van de eventuele structuur- en verdeelvoegen blijft er evenwel een risico bestaan indien deze zone blootgesteld wordt aan zware rollende belastingen.
3. Plaatsing van de betegeling op een niet-hechtende of zwevende dekvloer
Afb. 2 Verzakking in de buurt van de plint.
Afb. 3 Bolkomen van het geheel dekvloer-betegeling.
4. Invloedsparameters voor de omvang van het bolkomen
Een dekvloer met een hoge trekweerstand kan een sterker bimetaaleffect teweegbrengen en bijgevolg het bolkomen bevorderen. Indien de dekvloer een lage trekweerstand vertoont, zullen de trekspanningen zich eerder uiten onder de vorm van microscheurtjes aan de onderzijde, wat het bolkomen dan weer tegengaat. De moeilijkheid bestaat er dus in om een dekvloer uit te voeren waarvan de mechanische eigenschappen voldoende hoog zijn om een plaatsing op een samendrukbaar materiaal toe te laten, maar tevens laag genoeg om het risico op bolkomen te beperken. De dekvloer zou bij voorkeur samengesteld moeten worden met grof zand, terwijl de cementdosering lager zou moeten blijven dan 250 kg per m³ zand. Te dikke dekvloeren zijn af te raden. Ook het feit dat de dekvloer bij de plaatsing van de betegeling (bv. op een recente dekvloer) nog een groot deel van zijn krimp moet ondergaan, kan het bolkomen ervan sterk in de hand werken. De plaatsing van de betegeling zou bijgevolg zo lang mogelijk uitgesteld moeten worden. Vanuit deze optiek is het aanbevolen een wachttijd van 28 dagen te respecteren, hoewel de ervaring geleerd heeft dat deze termijn niet altijd volstaat. De vervormbaarheid van het isolatiemateriaal speelt eveneens een belangrijke rol bij het bolkomen.5. Besluit
Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijke plaatsingstechnieken, naargelang van het type en de afmetingen van de tegels en geeft hierbij tevens aan of het risico op schade al dan niet reëel is.| Tabel 1 Parameters die men in aanmerking dient te nemen bij de bepaling van de plaatsingstechniek van de tegels. | ||||||||
| Plaatsingstechniek van de tegels | Afmetingen > 0,0025 m² ≤ 0,1 m² | Afmetingen > 0,1 m² < 0,4 m² | ||||||
| Groep I : waterabsorptie < 3 % | Groepen IIab en III : waterabsorptie > 3 % | Groep I : waterabsorptie < 3 % | Groepen IIab en III : waterabsorptie > 3 % | |||||
| Tegeldikte : < 12 mm | Tegeldikte : > 12 mm | Tegeldikte : < 12 mm | Tegeldikte : > 12 mm | |||||
| Gelijmde plaatsing op een verharde dekvloer | Hechtende dekvloer | Enkele verlijming | + (1) | + | + | x (1) | - | x |
| Dubbele verlijming | + (1)(2) | + (2)(3) | + (2)(3) | + (1) | + | + | ||
| Niet-hechtende of zwevende dekvloer | Enkele verlijming | + (1)(4) | + (4) | + (4) | x (1)(4) | x (4) | x (4) | |
| Dubbele verlijming | + (1)(2)(3)(4) | + (2)(3)(4) | + (2)(3)(4) | + (1)(3)(4) | + (3)(4) | + (3)(4) | ||
| Plaatsing in de verse dekvloer + aangepaste mortellijm | Hechtende dekvloer | + (1)(3) | + (3) | + (3) | + (1)(3) | + (3) | + (3) | |
| Niet-hechtende of zwevende dekvloer | -/x (1)(3)(4) | -/x (3)(4) | -/x (3)(4) | -/x (1)(3)(4) | -/x (3)(4) | -/x (3)(4) | ||
| Plaatsing in de verse dekvloer + cementpap met hechtemulsie | Hechtende dekvloer | x (3) | x (3) | x (3) | - | -/x (3) | x (3) | |
| Niet-hechtende of zwevende dekvloer | - | x (3)(4) | x (3)(4) | - | - | x (3)(4) | ||
| Plaatsing met traditionele mortel | Op een ondergrond van beton of een verharde dekvloer | - | - | x (3) | - | - | x (3)(4) | |
| Op een gestabiliseerd zandbed | Voorbehouden voor tegels met een dikte ≥ 12 mm en een oppervlakte ≤ 0,1 m² uit de groepen IIab en III | |||||||
| (1) Een mortellijm van klasse C2 is aanbevolen. (2) Een dubbele verlijming is niet noodzakelijk voor kleinformaattegels (< 0,1 m²). (3) Aanbevolen indien er ruime toleranties van toepassing zijn op de dikte en de vlakheid van de tegels. (4) Het risico op het bolkomen van het geheel dekvloer-betegeling is reëel. + : aanbevolen. x : geschikt, maar het risico op schade aan de vloerbedekking en/of aan het geheel dekvloer-betegeling is reëel. – : afgeraden. |
||||||||
M. Wagneur, ing., directeur Informatie, WTCB



