Beoordeling van beton in situ bij geschillen 2008/04.06

Beoordeling van beton in situ bij geschillenDe Europese norm NBN EN 13791 inzake de beoordeling van de druksterkte van beton in constructies en vooraf vervaardigde betonelementen is van kracht sedert april 2007 en kan onder meer toegepast worden bij geschillen over de kwaliteit.
De druksterkteklasse is één van de elementen die vermeld moeten worden bij de specificatie - en dus ook bij de bestelling - van beton volgens de geldende normen. Tot april 2007 bestond er echter geen enkele norm die de interpretatie van de resultaten van de sterktemetingen op beton in situ overeenkomstig de specificaties toeliet. Sindsdien kan men beoordelingstechnieken voor de druksterkte van beton in constructies en vooraf vervaardigde elementen terugvinden in de Europese norm NBN EN 13791.

Deze norm onderscheidt verschillende procedures naargelang van de reden waarom de druksterkte onderzocht wordt. Wij beperken ons hier tot het geval waarbij er geschillen zijn omtrent de kwaliteit van het geleverde beton. Deze kunnen te maken hebben met een non-conformiteit wat betreft de sterkteklasse of met een gebrekkige uitvoering.

Nuttige informatie
Dit artikel werd opgesteld in het kader van de Normen-Antenne 'Mortel-Beton-Granulaten', gesubsidieerd door de FOD 'Economie'.
De norm voorziet de mogelijkheid om de druksterkte te bepalen via drukproeven op cilinders, maar ook op basis van onrechtstreekse metingen (sclerometer, hechtingsproeven, snelheid van ultrasone golven). De referentiemethode is deze met drukproeven op boorkernen. Hierbij moeten minstens drie proefstukken worden gebruikt. Vermits de karakteristieke druksterkte in dit geval onderschat kan worden, voorziet de norm een minimum van 15 boorkernen voor de in situ-beoordeling bij geschillen.

Onder voorbehoud van een akkoord tussen de partijen vermeldt de norm tevens een variante voor de beoordeling van de overeenstemming met de sterkteklassen uit de NBN EN 206-1, voor zover er minstens 15 onrechtstreekse proefresultaten voorhanden zijn en er minstens twee boorkernen genomen werden op de plaatsen die de kleinste sterkten vertoonden. Voor kleinere zones voorziet de norm eveneens een variante waarvoor er slechts twee boorkernen (weliswaar genomen op een verschillende plaats) nodig zijn.

De bepaling van de druksterkte in situ houdt zowel rekening met de invloed van de materialen als met de uitvoering (verdichting, nabehandeling, …). Volgens de norm mogen de karakteristieke waarden voor de druksterkte van beton in situ 15 % lager zijn dan de grenswaarden van de sterkteklassen volgens de norm NBN EN 206-1.

Volledig artikel


V. Pollet, ir., adjunct-departementshoofd 'Materialen, technologie en omhulsel', WTCB