Legionellabeheersing : welke lengte voor de uittapleiding ? 2008/03.10

Legionellabeheersing : welke lengte voor de uittapleiding ?Het WTCB voert sinds december 2006 een prenormatief onderzoek in verband met de legionellaproblematiek. Het doel is enerzijds om normen en codes van goede praktijk uit te werken voor de uitvoering van risicoanalyses, de opstelling van beheersplannen, het nemen van waterstalen en de analyse ervan. Anderzijds wordt er aandacht besteed aan de opmeting van gecontamineerde aërosolen en wordt onderzocht in hoeverre de tegenwoordig vooropgestelde legionellabeheersingsmaatregelen gefundeerd zijn.
Een van deze legionellabeheersingsmaatregelen is de beperking van de lengte van de leiding tussen het sanitaire-warmwatercirculatiesysteem en de tappunten tot maximum 5 m. Door het watervolume aldus te verminderen (tot ongeveer 1 liter bij een koperen buis met een diameter DN 18), kan men het risico op infecties, veroorzaakt door de aanwezigheid van legionellagroei in de uittapleiding (waarvan de temperatuur gewoonlijk schommelt tussen 25 en 45 °C), immers beperken.

Bij grotere lengtes, wat uiteraard ook een groter watervolume inhoudt, neemt de kans op besmetting bij een gelijke legionellaconcentratie toe. Hierbij gaat men uit van de veronderstelling dat het door het circulatiesysteem aangevoerde water vrij is van legionella­kie­men en dat de hoeveelheid kiemen na de door­stroming van de besmette uittapleiding miniem is.

De beperking van de lengte van de uittapleiding heeft echter bepaalde gevolgen voor de inplanting van de sanitaire uitrusting, vermits de mogelijkheden van de ontwerper sterk ingeperkt worden. Bij de opmaak van de plannen moet de architect hier voldoende rekening mee houden, zoniet kan de installateur achteraf voor onoverkomelijke problemen komen te staan.

Het leek ons dan ook aangewezen om deze legionellabeheersingsmaatregel eens grondig onder de loep te nemen. Hiertoe gingen we na in hoeverre er een bezoedeling optreedt in legio­nellavrij water na het doorstromen van een besmette uittapleiding.

Als er na deze doorstroming geen aanrijking voorkomt, kan men er redelijkerwijze van uitgaan dat de besmetting enkel te wijten is aan de stagnering van het water in de uittapleiding. In voorkomend geval zal het risico op bezoedeling dan ook in gunstige zin evolueren wanneer men de betrokken leiding korter maakt.

De opgebouwde proefpost bestond uit drie uittap­leidingen in polypropyleen met een dia­meter DN 20 (inwendige diameter van 13,2 mm) en een lengte van 3, 5 en 15 m (wat overeenstemt met een waterinhoud van respectievelijk 0,41, 0,68 en 2,05 liter). Elk van deze leidingen werd uitgerust met een automatisch gestuurde tapkraan, wat toeliet om een welbepaald tappatroon te simuleren.

In een eerste fase werden de drie leidingen aangesloten op een met legionellakiemen besmette (concentratie : 105 tot 106 kiemvormende eenheden per liter (KVE/l)) warmwaterinstallatie op 40 °C. Gedurende de eerste zes weken werd aan elk tappunt dagelijks 127 liter warm water afgetapt. Dit gebeurde in 48 tapbeurten met een debiet van 3,5 liter per minuut.

Dit aftapprofiel werd aangehouden omdat uit buitenlandse testen gebleken is dat het aanleiding geeft tot een duidelijke contaminatie van de leidingen. Vervolgens werd gedurende 10 weken een realistischer tappatroon ingesteld, waarbij per dag en per tappunt 120 liter water afgetapt werd (3 x 30 liter en 5 x 6 liter). Het tapdebiet werd daarbij opgedreven tot 6 liter per minuut.

In een tweede fase werden de drie leidingen aangesloten op een legionellavrije warmwaterinstallatie. Net zoals tijdens de eerste fase werd er per dag en per tappunt 120 liter water afgetapt bij een temperatuur van 40 °C en bij een debiet van 6 liter per minuut.

De drie tappunten werden gedurende 5,5 weken opgevolgd door wekelijks drie waterstalen te nemen en hierop een legionella-analyse uit te voeren. Vermits de waterstalen steeds genomen werden nadat de kraan gedurende 1 minuut gelopen had, kon men ervan uitgaan dat deze vers waren.

De resultaten van de analyses worden voorgesteld in afbeelding 1. Hieruit blijkt dat het water in de drie gevallen (en dus ook in de leidingen waarvan de lengte beperkt werd tot 5 m) eenzelfde niveau van besmetting vertoont. De opgemeten legionellaconcentratie schommelt tussen de 1000 en 5000 KVE/l en de aanrijking is voor de drie leidingen vrijwel identiek.

Het hanteren van uittapleidingen waarvan de lengte groter is dan 5 meter, levert bijgevolg niet noodzakelijk meer legionellaproblemen op.

Afb. 1 Resultaten van de legionella-analyses.
Afb. 1 Resultaten van de legionella-analyses.


K. De Cuyper, ir., afdelingshoofd, afdeling 'Technische uitrustingen en automatisatie', WTCB