Buitenschrijnwerk en de veiligheid van personen

Buitenschrijnwerk en de veiligheid van personen In de huidige architectuur wordt steeds vaker gebruik gemaakt van grote glaspartijen, uitgerust met kamerhoog buitenschrijnwerk. Deze elementen worden gekenmerkt door het feit dat bij hun ontwerp rekening moet gehouden worden met de veiligheid van personen. Dit artikel gaat dieper in op de keuze van het glastype volgens de NBN S 23-002.
Om de veiligheid van personen te waarborgen in aanwezigheid van buitenschrijnwerk, dient men niet alleen rekening te houden met het risico op vallen (d.w.z. door het raam vallen of struikelen) indien het schrijnwerk dienst doet als borstwering, maar ook met het risico op verwondingen, bijvoorbeeld door contact met grote glasscherven. Het spreekt voor zich dat het concept 'veiligheid van personen' beoordeeld moet worden uitgaande van een 'normaal' of 'normaal voorzienbaar' gebruik van de gebouwen. Dit sluit het bewust en weloverwogen nemen van risico's door de gebruikers uit.

1. De normatieve context

Gelet op de diversiteit van de uit te voeren controles, dient men verschillende normen en specificaties in acht te nemen :
  • de norm NBN S 23-002 geeft het te gebruiken glastype (float, gelaagd, gehard) aan en resulteert uit het openbare onderzoek van de (nu vervallen) STS 38
  • de norm NBN EN 1991-1-1 geeft waarden op voor de statische belastingen, naargelang van de gebruikscategorie van het gebouw
  • de ontwerpnorm prNBN B 25-002-1 geeft aan welke dynamische belastingen kunnen aangrijpen op het schrijnwerk en resulteert uit het openbare onderzoek van de STS 52.0.
Het WTCB werkt momenteel aan een rapport waarin de inhoud van voornoemde referentiedocumenten uiteengezet zal worden. Verder zal getracht worden om de eisen samen te vatten volgens de projectvoorwaarden en om deze verder aan te vullen teneinde te komen tot een eenduidige beoordeling en interpretatie.

2. De keuze van de beglazing

Tabel 5 van de norm NBN S 23-002 (integraal opgenomen in de lange versie van dit artikel) geeft een overzicht van de keuzecriteria voor de beglazing. Deze tabel onderscheidt acht verschillende toepassingsdomeinen die ge­de­finieerd worden aan de hand van karakteristieken zoals de aard en de helling van de beglaasde wand (verticale wand, deur, dak, …), de valhoogte en de hoogte van het eventuele vulpaneel, evenals door de voorziene activiteit aan weerszijden van de beglazing. Het toe te passen beglazingstype wordt dan weer als volgt weergegeven :
  • B = gelaagd glas zonder verdere precisering (één PVB (1) volstaat, minimum 33.1)
  • C = gehard glas
  • 2B2 = gelaagd glas, opgebouwd uit twee glasbladen en één PVB = bescherming tegen verwondingen
  • 1B1 = gelaagd glas, opgebouwd uit twee glasbladen en twee PVB's (minimum 33.2) = bescherming tegen vallen en verwondingen
  • 1C- = gehard glas (minimum 4 mm) = bescherming tegen verwondingen
  • A = glas zonder veiligheidskarakteristiek, uitgegloeid, halfgehard, chemisch gehard floatglas.
Voor een aantal gebouwen, zoals residentiële gebouwen, is het in bepaalde gevallen toegestaan geen gebruik te maken van veiligheidsglas (en glas van type A in aanmerking te nemen). In voorkomend geval moet wel bewezen worden dat het glas niet breekt bij een schokproef. Verder mag een gehard glas steeds vervangen worden door een gelaagd glas, terwijl deze redenering niet opgaat in tegenovergestelde richting. Indien bij een isolerende beglazing één van de twee glasbladen gehard is, moet het andere eveneens uit veiligheidsglas (gehard of gelaagd) bestaan.

Het lange artikel herneemt een aantal courante voorbeelden, zoals deze voorgesteld in afbeelding 1, en beschrijft voor elk ervan de benadering die gevolgd moet worden om te komen tot een geschikte glaskeuze.

Afb. 1 Residentieel gebouw : typevoorbeelden van buitenschrijnwerk.
Afb. 1 Residentieel gebouw : typevoorbeelden van buitenschrijnwerk.
In dit artikel beschouwen we het schrijnwerk­element X uit afbeelding 1. Dit bestaat uit een vast en beglaasd vulpaneel van 0,9 m hoog, met daarboven een vast deel dat eveneens beglaasd is. De valhoogte hc (2) is groter dan 1,5 m.

Wat het vulpaneel betreft, geldt het geval 2 uit tabel 5 van de norm NBN S 23-002.

Voor de keuze van de binnenbeglazing, dient men voor de vertrekken van het gebouw de categorie A (huishoudelijk en residentieel) uit de tabel te beschouwen. Vermits er noch langs buiten, noch langs binnen een permanente bescherming (bv. een borstwering) aanwezig is, moet de betrokken binnenbeglazing van het type 1B1 zijn, d.w.z. een gelaagd glas, opgebouwd uit twee glasbladen en twee PVB's (minimum 33.2). Dit is de enige mogelijkheid.

Daar er op de buitenbeglazing van het vulpaneel geen schokken van buitenaf kunnen aangrijpen, is de glaskeuze normaalgesproken vrij.

Wat het vaste deel boven het vulpaneel betreft, is het geval 3 uit voornoemde tabel van toepassing. Dit betekent dat er noch langs binnen, noch langs buiten veiligheidsglas vereist is, aangezien de onderste rand van de beglazing zich op een hoogte ≥ 0,9 m ten opzichte van de grond bevindt.

Tot slot willen we erop wijzen dat de norm NBN S 23-002 geen specifieke voorschriften bevat voor de gebeurlijke vervanging van de beglazing. Indien deze echter moet vervangen worden na een ongeval en de situatie duidelijk gevaarlijk is, raden wij aan de ontwerp­richtlijnen uit de nieuwe norm te volgen.

(1) Tussenlaag, opgebouwd uit kunststoffolie.
(2) De valhoogte hc is de hoogte vanaf het niveau van de vloer onderaan tot het hoogste niveau van de sponning (in geval van vaste elementen) of van het kozijn (in geval van opengaande elementen).



Volledig artikel


E. Dupont, ing., adjunct-diensthoofd, dienst 'Specificaties', WTCB
V. Detremmerie, ir., projectleider, laboratorium 'Dak- en gevelelementen', WTCB