Voegmortels voor keramische tegels 2008/03.07

Voegmortels voor keramische tegelsHoewel de productnorm NBN EN 13888 geen verplichting inhoudt om de CE-markering aan te brengen, beginnen er toch aanduidingen inzake de prestaties van fabrieksmatig vervaardigde voegmortels te verschijnen. De norm behandelt voegmortels voor vloer- en muurbetegelingen en dit zowel voor binnen- als buitentoepassingen, definieert de karakteristieken van deze producten en geeft waarden op voor de prestatie-eisen. Ze bevat evenwel geen specificaties of aanbevelingen omtrent het ontwerp en de uitvoering.

1. Voegmortels

Voegmortels zijn bestemd om de voegen (met uitzondering van de bewegingsvoegen) tussen alle tegeltypes op te vullen. Zoals aangegeven in tabel 1, worden er twee grote morteltypes onderscheiden, afhankelijk van de aard van hun bindmiddel. Met elk type komt een symbool overeen, dat hernomen wordt in de aanduiding van de mortel. De verschillende morteltypes bezitten bovendien specifieke karakteristieken die geassocieerd zijn met specifieke proefmethoden.

2. Specificaties en aanduiding

De specificaties zijn afhankelijk van het producttype. Een mortel wordt aangeduid volgens de aard van het bindmiddel (CG of RG). Cementgebonden mortels kunnen verder opgedeeld worden in twee klassen : de klasse 1 voor normale mortels en de klasse 2 voor verbeterde mortels (zie tabel 1). Op de verpakking en/of in de technische documentatie van de op de markt gebrachte producten moet daarenboven informatie terug te vinden zijn over de fabricage, het morteltype en de mortelklasse (zie tabel 1) en het gebruik.

Tabel 1 Morteltypes volgens de aard van het bindmiddel.
Type
Samenstelling
Aanduiding
Cementgebonden mortel CG Mengsel van hydraulische bindmiddelen, granulaten en organische en anorganische hulpstoffen CG1 : normale mortel
CG2 (of CG2WAr) : verbeterde mortel
CG2W : verbeterde mortel met beperkte wateropslorping
CG2Ar : verbeterde mortel met verhoogde slijtbestandheid
Harsgebonden mortel RG Mengsel van synthetische harsen, granulaten en organische en anorganische hulpstoffen die verharden door een chemische reactie RG : normale mortel

2.1. Specificaties voor cementgebonden mortels (CG)

De minimale eisen die van toepassing zijn op de fundamentele karakteristieken van een cementgebonden voegmortel komen overeen met de aanduiding CG1 (zie tabel 2). Aan deze fundamentele karakteristieken kunnen nog bijkomende karakteristieken toegevoegd worden.

Er worden geen specificaties opgelegd voor de dwarse vervorming, gemeten aan de hand van een buigproef volgens de norm NBN EN 12002. De fabrikant kan deze waarde echter wel declareren met het oog op de betere informering van de gebruikers.

Tabel 2 Specificaties voor voegmortels.
Karakteristieken
Eisen
Proefmethode
Fundamentele CG1
Bijkomende CG2W en/of Ar
Fundamentele RG
Slijtbestandheid (mm³)
≤ 2000
≤ 1000 (Ar)
≤ 250
NBN EN 12808-2
Buigsterkte (N/mm²) / Druksterkte (N/mm²) 'droog'
≥ 3,5 / ≥ 15
≥ 3,5 / ≥ 15
≥ 30 / ≥ 45
NBN EN 12808-3
Buigsterkte (N/mm²) / Druksterkte (N/mm²) 'na vorst'
≥ 3,5 / ≥ 15
≥ 3,5 / ≥ 15
-
Krimp (mm/m)
≤ 2
≤ 2
≤ 1,5
NBN EN 12808-4
Wateropslorping na 30 minuten (g) / na 240 minuten (g)
≤ 5 / ≤ 10
≤ 2 / ≤ 5 (W)
- / ≤ 0,1
NBN EN 12808-5

2.2. Specificaties voor harsgebonden voegmortels (RG)

Nuttige informatie
Dit artikel kwam tot strand in het kader van de Normen-Antenne 'Mortel-Beton-Granulaten' (www.normen.be)
De eisen die van toepassing zijn op de fundamentele karakteristieken van een harsgebonden voegmortel komen overeen met de aanduiding RG (zie tabel 2).

Deze mortels worden doorgaans aangewend in situaties waarvoor een chemische weerstand gevraagd wordt. Er kan daarom bijkomende informatie opgegeven worden met betrekking tot het gedrag van de mortel bij contact met agressieve (chemische) producten tijdens het gebruik van het oppervlak. De proef volgens de norm NBN EN 12808-1 simuleert de voorziene gebruiks- en blootstellingsvoorwaarden, maar legt geen grenswaarden op.


Volledig artikel


Y. Grégoire, ir.-arch., adjunct-afdelingshoofd, afdeling 'Materialen', WTCB