Aandachtspunten bij de beoordeling van cementgebonden bedrijfsvloeren

De huidige tendens om cementgebonden bedrijfsvloeren niet louter meer toe te passen in gebouwen waar enkel het functio­nele karakter van belang is (zoals in­dustriegebouwen), maar ook in gebouwen waaraan vooral esthetische eisen gesteld worden (zoals woningen, winkels en kantoren), heeft tot gevolg dat onze medewerkers steeds vaker vragen voorgelegd krijgen met betrekking tot het uitzicht ervan na de uitvoering.
Het uiteindelijke uitzicht van een ter plaatse gestorte betonvloer wordt bepaald door een brede waaier aan invloedsparameters. Het zal dan ook veelal onmogelijk zijn om de uniformiteit ervan te waarborgen, temeer omdat de functionaliteit van dergelijke vloeren gewoonlijk primeert op het esthetische karakter. Dit kan verklaard worden door het feit dat dit vloertype in eerste instantie ontwikkeld werd voor aanwending in industriële gebouwen (zie ook TV 204).

Indien men desondanks toch opteert voor een betonvloer in het kader van niet-industriële toepassingen, dient men rekening te houden met een aantal beperkingen die inherent zijn aan dit vloertype. Zo dient men in het achterhoofd te houden dat de mogelijkheid om naderhand correcties uit te voeren zonder dat deze in het oog springen zeer beperkt is.

Vlakheid

Tabel 1 : Vlakheidstoleranties voor bedrijfsvloeren
De vlakheidstoleranties zijn afhankelijk van de bestemming van de vloer. Het spreekt immers voor zich dat de eisen die gesteld worden aan een bedrijfshal (opslag op grote hoogte) niet identiek zijn aan deze voor een loods (opslag op de vloer). In sommige gevallen kan het bovendien noodzakelijk blijken de vloer van één enkele ruimte in te delen in zones met vlakheidstoleranties van verschillende klassen (zie tabel 1).

In industriële ruimten waar materialen met vorkheftrucks op grote hoogte gestapeld worden, kunnen zelfs de kleinste vlakheidsafwijkingen niet te verwaarlozen gevolgen hebben. In de woningbouw kan een gemis aan vlakheid dan weer leiden tot moeilijkheden bij de plaatsing van het meubilair. In voorkomend geval is het bijgevolg raadzaam een strenge vlakheidsklasse voor te schrijven.

Tenzij er andersluidende vlakheidseisen werden vastgesteld, dient men voor vloeren voor courant gebruik de vlakheidsklasse IV te hanteren (een tolerantie van ± 9 mm onder de lat van 2 m). In de nabijheid (d.w.z. tot op een afstand van 20 cm) van muren of andere hindernissen mag men een lagere tolerantieklasse beschouwen. Voor de vlakheidsklasse IV komt dit overeen met ± 12 mm onder de lat van 2 m.

Scheurvorming

Afb. 1 Herstelling van een scheur.
Indien er geen duidelijke tekenen zijn die duiden op differentiële zettingen van de ondergrond of andere stabiliteitsproblemen, kan het ontstaan van scheuren in de vloer doorgaans toegeschreven worden aan de (differentiële) krimp van het beton.

Hoewel de berekende scheurbreedte in bedrijfsvloeren volgens de TV 204 beperkt moet worden tot 0,3 mm, wordt bij de controle ervan in de praktijk gewoonlijk een reële scheurbreedte van 0,5 mm aanvaard (bij voorkeur gemeten met een gegradueerd vergrootglas). De aanwezigheid van dergelijke fijne plaatselijke scheurtjes in de betonvloer heeft normaalgesproken immers geen weerslag op de duurzaamheid (voor zover de randen van de scheurtjes geen afbrokkeling vertonen). Bredere scheuren met afbrokkelende randen zouden bij voorkeur hersteld moeten worden (zie afbeelding 1).

Het optreden van een netwerk van dicht aaneengesloten microscheurtjes (aangeduid als 'craquelé') is het resultaat van de hydraulische krimp van het beton. Aangezien dit verschijnsel enkel het uitzicht van de vloer beïnvloedt en geen weerslag heeft op de duurzaamheid, zijn herstellingen in dit geval overbodig. Meer nog : dit netwerk van oppervlakkige scheurtjes getuigt eigenlijk van een homogene spreiding van de krimpspanningen.


Scheurvorming als gevolg van de krimp van het beton

Tengevolge van hun samenstelling zijn cementgebonden bedrijfsvloeren onderhevig aan een zekere verkortingsbeweging, die aangeduid wordt als de betonkrimp. Men kan een onderscheid maken tussen twee types krimp : de plastische en de hydraulische.

Plastische krimp

De plastische krimp, die gewoonlijk reeds enkele uren na het storten optreedt, kan bij cementgebonden bedrijfsvloeren belangrijke proporties aannemen. Deze beweging ontstaat doordat een gedeelte van het aanmaakwater verdwijnt door verdamping, wat gepaard kan gaan met een aanzienlijke volumevermindering. Dit uit zich door het verschijnen van brede scheuren over de volledige vloerdikte.

Gelet op de bijzondere uitvoeringsvoorwaarden van bedrijfsvloeren kunnen de beschermingsmaatregelen pas getroffen worden na de afwerking van het oppervlak, wat slechts kan gebeuren als de binding van het beton voltooid is. Tijdens deze periode kan de snelle verdamping van het aanmaakwater aanleiding geven tot scheurvorming in het beton (dat nog in zijn plastische fase verkeert).

Hydraulische krimp

Onder hydraulische krimp verstaat men de volumevermindering die optreedt bij de verharding van het beton (d.w.z. bij de eigenlijke vorming van de cementkristallen) tengevolge van de verdamping van het water dat niet gebruikt werd voor de binding. Hoewel dit krimpproces in theorie oneindig lang kan duren, zal het belangrijkste deel ervan in principe na 1,5 tot 2 jaar uitgewerkt zijn.

Kleurverschillen

Afb. 2 Kleurverschillen door resten van curing compound.
Bij niet-gepigmenteerde vloeren wordt de homogeniteit van het uitzicht beïnvloed door de regelmatigheid van de cementkleur, de constantheid van de beton- en slijtlaagsamenstelling, de waterdosering, de verhardingsvoorwaarden en de carbonatatie van het cement. Ook de wijze van droging en het gedrag van de aangebrachte nabehandelingsproducten (bv. curing compounds) kunnen hierbij een rol spelen (zie afbeelding 2).

Zo kunnen curing compounds slechts moeilijk in uniforme dikte uitgevoerd worden en gebeurt de afslijting ervan ongelijkmatig. Sommige nabehandelingsproducten kunnen bovendien leiden tot een versterkte vuilaanhechting.

Bij gepigmenteerde vloeren is de gelijkmatigheid van de kleur tevens afhankelijk van de verdeling van het pigment in de massa of de instrooilaag en van de pigmentkwaliteit (stabiliteit, …).

Kleurverschillen kunnen ook voorkomen op moeilijk toegankelijke plaatsen (bv. in hoeken en langs muren) omdat de afwerking hier niet machinaal, maar manueel gebeurt.

Vermits het merendeel van voornoemde invloedsfactoren slechts moeilijk te beheersen zijn, dient men ervan uit te gaan dat dergelijke kleurverschillen inherent zijn aan cementgebonden bedrijfsvloeren. Indien men deze enigszins wenst te maskeren, kan men er een coating of boenwas op aanbrengen.

Stofafgifte

Afb. 3 Stofafgifte bij een pas gestorte betonvloer.
Bij pas gestorte betonvloeren wordt men niet zelden geconfronteerd met een verhoogde stofafgifte (door de afslijting van het nabehandelingsproduct, het verschijnen van uitbloeiingen, de cementhuid, …) (zie afbeelding 3). Deze stofafgifte vermindert echter veelal spontaan naarmate de vloer meer gebruikt wordt. In afwachting dient men het stof regelmatig weg te nemen door een aangepast pe­riodiek onderhoud.

Indien de stofafgifte van de betonvloer als uitermate hinderlijk ervaren wordt, kan men overwegen om er een geschikt impregnatieproduct op aan te brengen.

Loskomen van de slijtlaag

Afb. 4 Loskomen van de slijtlaag van een betonvloer.
Het loskomen van de slijtlaag kan doorgaans toegeschreven worden aan de volgende parameters : de kwartshoeveelheid en het laattijdige instrooien en vlinderen ervan, de aanwezigheid van een mortellaag op het beton­oppervlak, het achterblijven van bleedingwater en het gebruik van bepaalde hulpstoffen (zie afbeelding 4).

Het loskomen en holklinken van de slijtlaag is een eerder plaatselijk fenomeen dat zich gewoonlijk vrij snel na de uitvoering manifesteert. Dergelijke loszittende en holklinkende zones dienen zorgvuldig verwijderd en vervolgens op gepaste wijze hersteld te worden (bv. met behulp van een harsmortel). Men moet er echter wel rekening mee houden dat zulke plaatselijke herstellingen doorgaans sterk in het oog springen.

Rol van bepaalde hulpstoffen bij het loskomen van de slijtlaag

Het loskomen van de slijtlaag van een cementgebonden bedrijfsvloer kan te wijten zijn aan het gebruik van luchtbelvormers. In bepaalde naslagwerken wordt de mechanische afwerking van beton met dergelijke hulpstoffen bijgevolg afgeraden. Ook de toepassing van sommige superplastificeerders kan een gelijkaardig neveneffect teweegbrengen. In het geval van gepolierde bedrijfsvloeren dient men er dan ook steeds op toe te zien dat het luchtgehalte in het beton (ongeacht de aangewende hulpstof) binnen de perken blijft.





I. De Pot, ing., en S. Vercauteren, ing., adviseurs, afdeling 'Technisch advies', WTCB