Nuttig document
Houten vloerbedekkingen : plankenvloeren, parketten en houtfineervloeren. Brussel, WTCB, Technische Voorlichting, nr. 218, december 2000.

Kromtrekken of schotelen van houten vloerbedekkingen 2008/02.09

Houten vloerbedekkingen zijn erg populair bij de opdrachtgevers, maar geven ook aanleiding tot een stijgend aantal betwistingen die de tussenkomst van de afdeling 'Technisch advies' van het WTCB vereisen.

1. Inleiding

Het kromtrekken (of schotelen) van de planken of parketstroken is een vaak voorkomende pathologie bij dit type vloerbedekkingen (zie afbeelding 1). Daarom zullen we er in dit artikel dieper op ingaan.

Afb. 1 Het kromtrekken (of schotelen) van de parketstroken is een vaak voorkomende pathologie. Afb. 1 Het kromtrekken (of schotelen) van de parketstroken is een vaak voorkomende pathologie.
Afb. 1 Het kromtrekken (of schotelen) van de parketstroken is een vaak voorkomende pathologie.

2. Parameters die de amplitude van de schoteling beïnvloeden

2.1. Gradiënt van het vochtgehalte in het hout

Het verschil in vochtgehalte tussen de boven- en onderzijde van de parketstrook is een parameter die zeer belangrijk is bij het kromtrekken ervan. Het is immers deze gradiënt die aanleiding geeft tot de differentiële krimp of zwelling van het hout, wat verklaart waarom de vervormingen soms concaaf en soms convex zijn. Deze laatste komen voor aan de zijde waar het vochtgehalte het hoogst is.

Voor zover het hout geleverd en opgeslagen werd bij een adequate vochtigheidsgraad, kan deze gradiënt de volgende oorzaken hebben :
  • de differentiële evolutie van het vochtgehalte in het hout van de parketstrook, tengevolge van de bewaring ervan in ongeschikte omstandigheden (te droog of te vochtig binnenklimaat)
  • een toevoer van vocht vanuit de infrastructuur omwille van het feit dat deze nog niet droog is of onvoldoende beschermd werd tegen capillair vochttransport.

2.2. De zaagwijze van het hout

Vermits de vervorming van het hout meer uitgesproken is (bijna tweemaal zo groot) in de tangentiële vezelrichting dan in de radiale, kan men stellen dat de zaagwijze een belangrijke invloed heeft op de omvang van de schoteling.

Dit verklaart waarom 'op dosse' gezaagde planken doorgaans een grotere schoteling vertonen.

2.3. Houtsoort

Net zoals de zaagwijze heeft ook de houtsoort een zekere impact op de schoteling, vermits een minder stabiel houttype bij een zelfde wijziging van zijn vochtgehalte onderhevig zal zijn aan een sterkere vervorming.

Voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar tabel 2 uit TV 218 'Houten vloerbedekkingen : plankenvloeren, parketten en houtfineervloeren'.

2.4. De slankheidsfactor van de stroken of de planken

De slankheidsfactor is de verhouding tussen de breedte en de dikte van de stroken of de planken. Het spreekt voor zich dat naarmate deze factor hoger is - d.w.z. wanneer de breedte meer dan acht keer groter is dan de dikte voor matig stabiel hout of meer dan tien keer groter is dan de dikte voor stabiel hout - ook het risico op schoteling in stijgende lijn gaat.

2.5. Opbouw van de parket- of vloerelementen

Het is een feit dat elementen uit massief hout gevoeliger zijn voor schoteling dan houtfineervloeren. Deze laatste zijn immers opgebouwd uit verschillende dunne lagen die in tegengestelde richting verzaagd werden of waarvan de vezelrichting gekruist werd.

3. Invloed van de plaatsingswijze

3.1. Zwevende plaatsing

Vermits bij deze plaatsingstechniek niets de beweging van het hout in de weg staat, kan zelfs een kleine schommeling van het vochtgehalte in de parketstroken leiden tot een aanzienlijke schoteling. De tand- en groefverbindingen fungeren immers als scharnieren en vormen hoogte- of dieptepunten al naargelang de vervormingen concaaf of convex zijn.

3.2. Genagelde plaatsing

In dit geval is het risico op schoteling iets kleiner en afhankelijk van de slankheid van de stroken of de planken en van de afrukweerstand die geboden wordt door de vernageling. Naarmate de houten elementen dunner zijn, zullen ze namelijk een minder grote belasting uitoefenen op de nagels.

3.3. Gelijmde plaatsing

Een gelijmde plaatsing zou in theorie de hoogste weerstand moeten bieden tegen schoteling, aangezien de vervorming van de afzonderlijke elementen in dit geval verhinderd wordt door het feit dat ze over het grootste gedeelte van hun contactoppervlak aan de ondergrond hechten.

Men moet echter wel nog rekening houden met de complexe spanningen die teweeggebracht worden in de verschillende lagen van de vloerbedekking door de vervormingen die inherent zijn aan het hout (zie kader). Eventuele schommelingen van het vochtgehalte kunnen immers leiden tot een krimp of zwelling van het hout die afwijkt van deze van de ondergrond, die doorgaans een grotere dimensionale stabiliteit vertoont (droge dekvloer, platen op basis van hout - zoals multiplex, OSB, … -, oude vloerbedekking, …).

4. Oplossingen en conclusies

Hout is een natuurlijk materiaal dat onvermijdelijk vervormt indien het niet geplaatst en bewaard wordt onder constante omgevingsvoorwaarden. Men moet er dus rekening mee houden dat parket- of vloerstroken steeds een zekere schoteling zullen ondergaan.

Daarom wordt gewoonlijk reeds vóór de plaatsing een schoteling van ≤ 0,5 % van de breedte van de stroken of planken aanvaard voor vloerbedekkingen uit massief hout en van ≤ 0,2 % of ≤ 0,3 % van de breedte voor meerlagig parket (volgens het type).

Een accentuering van deze schoteling is volgens ons ook na de plaatsing aanvaardbaar, met name indien de vloerbedekking blootstaat aan aanzienlijke schommelingen van het binnenklimaat, zoals bijvoorbeeld het geval is bij verwarmde vloeren. Als men de vervormingen die reeds aanwezig waren vóór de plaatsing niet kan corrigeren door het schuren van het volledige oppervlak (bv. fabrieksmatig voorbehandeld parket), kan dit leiden tot een verdubbeling van voornoemde toegelaten schoteling, in het bijzonder indien er geen stappen ondernomen worden om de omvang van deze vervormingen te beperken (bv. correctie van de relatieve luchtvochtigheidsgraad).

Afb. 3 Slechte keuze van de plaatsingsrichting van de elementen.
Afb. 3 Slechte keuze van de plaatsingsrichting van de elementen.
Verder willen we erop wijzen dat de oplevering van een vloerbedekking nooit mag gebeuren in tegenlicht en nog minder bij scheerlicht. Daarom is het aanbevolen om bij de keuze van de plaatsingsrichting van de vloerelementen voldoende rekening te houden met dergelijke fenomenen (zie afbeelding 3). Indien de omvang van de schoteling onaanvaardbaar is, kan men trachten de vlakheid van het geheel te verbeteren door de vloer te schuren en vervolgens opnieuw van een afwerking te voorzien. Deze oplossing kan toegepast worden in de meeste gevallen, vermits het doorgaans enkel de randen van de stroken of planken zijn die loskomen. Het is echter raadzaam hiermee te wachten tot de vervormingen van het hout gestabiliseerd zijn en - in het geval van elementen met afgeschuinde randen - na te gaan of deze schuurbehandeling geen negatieve invloed heeft op het uitzicht.

Mechanismen die aanleiding geven tot de verschillende spanningen
2008/02.09

Afbeelding 2 geeft een schematische voorstelling van een parketvloer. De vloerbedekking die onderhevig is aan vervormingen (krimp) bestaat uit verschillende kleine prisma's die met lijm bevestigd werden op een stabiele dekvloer.

Vermits de bewegingen van de houten vloerbedekking afwijken van deze van de ondergrond, ontstaan er druk-, trek- en schuifspanningen in de verschillende lagen van de vloeropbouw. In het verlijmingsvlak treedt er bovendien een buigmoment op.

Tijdens dit proces stelt men vast dat de in het hout aanwezige trekspanningen in de buurt van de randen van elke strook of plank progressief afnemen en omgezet worden in schuifspanningen (die toenemen). Deze spanningen doen bovendien een buigmoment ontstaan dat aanleiding geeft tot trek- en drukspanningen, loodrecht op het plaatsingsvlak van de vloerbedekking. Het gedrag van het parket zal dus rechtstreeks afhankelijk zijn van het vermogen van de afzonderlijke lagen om weerstand te bieden tegen de spanningen waaraan ze onderworpen worden :
  • in de buurt van de randen worden de trekspanningen vervangen door schuifspanningen, wat op deze plaatsen kan leiden tot het loskomen van de stroken
  • in de buurt van de as van de stroken of planken (d.w.z. in de zone waar de trekspanning maximaal is) kunnen er scheuren ontstaan
  • het buigmoment dat ontstaat in de lijmlaag verhoogt niet alleen het risico op loskomen in de buurt van de randen van de parketstroken, maar kan er tevens voor zorgen dat deze randen opwelven.
Deze mechanismen verklaren waarom de vloerbedekking reeds bij een kleine schommeling van het vochtgehalte in het hout begint krom te trekken. Hoewel men in dit kader het risico op loskomen enigszins kan verminderen door het gebruik van weinig vervormbare lijmen, blijft hun impact op de schoteling tengevolge van het buigmoment beperkt. In het geval van elementen met geringe dikte zal men het buigmoment daarentegen wel gemakkelijk kunnen beheersen door de verlijming. Hier staat tegenover dat er een verhoogd risico op scheurvorming ontstaat.


Volledig artikel


M. Wagneur, ing., directeur Informatie, WTCB