Contactgeluidsisolatie van massieve vloeren 2007/03.10

De Belgische norm NBN S 01-400-1 legt nieuwe eisen op voor de contactgeluidsisolatie in woongebouwen. Dit artikel beschrijft enkele rekenmethoden en praktische ontwerpoplossingen voor vloeren, waarmee het mogelijk is aan deze eisen te beantwoorden.

Nieuwe contactgeluidsisolatiecriteria


Principe de la chape flottante.
Principe van een zwevende dekvloer.
Contactgeluid ontstaat tengevolge van een direct contact met de gebouwwand (voetstappen, vallende voorwerpen, …). Door dit directe contact met de muur of de vloer, genereren deze impacten een grote energie, die zich soms tot op grote afstand van de aanstoting kan voortplanten via de structuur van het gebouw. Deze intense energie is vaak slechts moeilijk te dempen, tenzij men specifieke maatregelen treft, zoals het voorzien van een soepele vloerbedekking of een zwevende dekvloer.

De contactgeluidsisolatiecriteria uit de nieuwe norm NBN S 01-400-1 [1] hebben betrekking op het in situ gemeten gewogen gestandaardiseerde contactgeluidsniveau L'nT,w (zie kader). Naarmate de prestaties van de vloeropbouw beter zijn, zal de L'nT,w-waarde dalen. De eisen voor het verkrijgen van een verhoogd akoestisch comfort (50 dB) worden dan ook uitgedrukt met een decibelwaarde die lager is dan deze voor een normaal akoestisch comfort (54 of 58 dB, naargelang van de situatie).

Volgens de norm zouden de eisen uit tabel 1 steeds gerespecteerd moeten worden, ongeacht de gekozen vloerbedekking. Gelet op de hoge vereiste isolatiewaarde, zal een vloer gewoonlijk enkel aan deze criteria kunnen voldoen door de toevoeging van een zwevende dekvloer (droog of traditioneel). Een betonnen vloerplaat, zelfs met een dikte van 40 cm, zal immers nooit op zichzelf de comfortcriteria kunnen bereiken, vermits de L'nT,w-waarde ervan maar rond de 65 dB ligt.

Tabel 1 Eisen met betrekking tot de contactgeluidsisolatie tussen de ruimten.
Zendruimte buiten de woning Ontvangstruimte binnen de woning Normaal akoestisch comfort Verhoogd akoestisch comfort
Elke ruimte Elke ruimte, met uitzondering van technische ruimten en inkomhallen L'nT,w ≤ 58 dB L'nT,w ≤ 50 dB
Elke ruimte, met uitzondering van slaapkamers Slaapkamer L'nT,w ≤ 54 dB L'nT,w ≤ 50 dB
Zendruimte binnen de woning Ontvangstruimte binnen de woning Normaal akoestisch comfort Verhoogd akoestisch comfort
Slaapkamer, keuken, woonkamer of eetkamer Slaapkamer - L'nT,w ≤ 58 dB

Te verwachten prestaties van een zwevende dekvloer

De in situ verwachte isolatiewaarde kan vrij eenvoudig ingeschat worden aan de hand van de oppervlaktemassa van de vloer en de flankerende wanden van de ontvangstruimte (omdat deze bijdragen tot de geluidstransmissie) en de doeltreffendheid van de zwevende dekvloer (uitgedrukt via de ∆Lw-waarde die geleverd wordt door de fabrikanten van de soepele onderlagen, zie kader). De op de norm NBN EN 12354-2 [2] gebaseerde rekenprocedure zal in de lange versie van dit artikel beschreven worden en verduidelijkt door toepassingsvoorbeelden. Hieruit kan men afleiden dat het met een zwevende dekvloer, uitgevoerd op een dubbele laag (2 x 5 mm) geëxtrudeerd polyethyleenschuim, die zelf rust op een 22 cm dikke betonplaat, in een lokaal waarvan de flankerende wanden bestaan uit 14 cm dikke baksteenblokken, mogelijk is te beantwoorden aan de eisen voor een verhoogd comfort uit de norm.

Te nemen voorzorgsmaatregelen

Omdat de perfecte uitvoering van de zwevende dekvloer niet eenvoudig is, moeten deze rekenresultaten gebruikt worden met een zekere veiligheidsmarge. Naast de keuze van de soepele laag, is het vooral de zorgvuldigheid van de plaatsing die bepalend is voor de doeltreffendheid van het systeem. Alle scheurtjes of onderbrekingen van deze laag tijdens de plaatsing van de dekvloer en elk contact tussen de dekvloer en de structuur (bv. akoestische bruggen ter hoogte van de doorvoer van verwarmingsleidingen, direct contact van de dekvloer of de vloerbedekking met de flankerende wanden, of zelfs van de plinten met de vloerbedekking) zullen immers onvermijdelijk leiden tot een vermindering van de contactgeluidsisolatie. Daarbij komt nog dat het aldus 'geblokkeerde' systeem zich zal gedragen als een geheel dat, gelet op zijn aard, ook de luchtgeluidsisolatie zal reduceren.

Indien men er niet in slaagt het geluid aan de bron te verminderen of de verspreiding ervan tegen te gaan (door het gebruik van een zwevende dekvloer), zal het erg moeilijk zijn te komen tot een goede contactgeluidsisolatie. De behandeling van het plafond van de onderliggende ruimte zal immers doorgaans ontoereikend zijn.

De contactgeluidsisolatie-indices

Om de prestaties van verschillende producten onderling te kunnen vergelijken en met het oog op het verkrijgen van de nodige invoergegevens voor de rekenmodellen ter bepaling van de isolatiewaarden in situ, is het belangrijk om het vermogen van een materiaal om contactgeluiden te dempen, duidelijk te definiëren. Vermits de contactgeluidsisolatie op de bouwplaats niet enkel afhankelijk is van de vloeropbouw, maar ook van deze van de flankerende wanden (indirecte geluidstransmissie), vereist de eenduidige karakterisering van de contactgeluidsisolatie van een vloer dat men een aantal laboratoriumproeven uitvoert waarbij de flankerende geluidstransmissie verwaarloosbaar is.

Laboratoriummetingene : Ln,w en ∆Lw

De contactgeluidsisolatie van vloeren kan gekarakteriseerd worden door twee uit laboratoriummetingen afgeleide indices.

  • De
    Machine à chocs.
    Klopmachine.
    eerste index is het gewogen genormaliseerde contactgeluidsniveau Ln,w. Deze stelt via een eengetalsaanduiding de (gecorrigeerde) waarde van het geluidsniveau voor dat in het onderliggende lokaal opgewekt wordt door de werking van een (internatio­naal genormaliseerde) klopmachine boven de beproefde vloer. Naarmate de prestaties van het materiaal of van de onderzochte opbouw beter zijn, zal de Ln,w-waarde afnemen.

    Zo zal men bijvoorbeeld :
    • een Ln,w-waarde van 78 dB bereiken voor een vloer, opgebouwd uit een 16 cm dikke vloerplaat van gewapend beton
    • een Ln,w-waarde van 48 dB bereiken voor een vloer die bestaat uit een zwevende dekvloer van 6 cm dik, die geplaatst werd op een 1 cm dikke onderlaag uit gere­cycleerd polyurethaanschuim, en rust op voornoemde betonnen vloerplaat.
    Uit deze meting kan men tevens de contactgeluidsisolatieklasse volgens de norm NBN S 01-400 (1977) afleiden. Hoewel deze norm binnenkort niet langer meer van toepassing zal zijn op woongebouwen (de nieuwe versie is immers verschenen in 2007), treft men deze indeling in klassen nog dikwijls aan voor niet-residentiële gebouwen, maar ook in commerciële documentatie of bestekken. Het gaat hier om de klassen Ia, Ib, IIa, IIb, IIIa en IIIb, in dalende volgorde van doeltreffendheid.

  • Om de doeltreffendheid van een zwevende dekvloer of een vloerbedekking te karakteriseren in het laboratorium kan men eveneens gebruik maken van de gewogen contactgeluidsniveaureductie ∆Lw. Deze waarde resulteert uit een rekenprocedure (NBN EN ISO 717-2) [3] en stelt de verbetering van de contactgeluidsisolatie Ln,w van de naakte vloer voor, wanneer voorzien van een vloerbedekking of een zwevende dekvloer. Deze grootheid zal dus hoger zijn naarmate de prestaties van het product verbeteren. In het hiervoor beschouwde geval zal de ∆Lw-waarde bijvoorbeeld 25 dB bedragen.

    Opmerking : deze waarden zijn representatief voor het geheel (bv. vloerplaat, soepele onderlaag en dekvloer) en dus niet voor het individuele product (bv. de soepele onderlaag). Indien de op de bouwplaats gebruikte vloerplaat anders is, of indien de plaatsingsvoorwaarden of de dikte van de dekvloer afwijken van deze, gebruikt tijdens de laboratoriumproef, kunnen de resultaten meerdere decibels verschillen en dus leiden tot onaangename verrassingen.

Meting op de bouwplaats : L'nT,w

Voor de bouwplaats zijn de door de nieuwe norm NBN S 01-400-1 uitgedrukte eisen gebaseerd op het in situ gemeten gewogen gestandaardiseerde contactgeluidsniveau L'nT,w. Net zoals in het laboratorium gaat het hier om de (gecorrigeerde) waarde van het geluidsniveau in het onderliggende lokaal vanwege de klopmachine.

Het verschil met de laboratoriummeting ligt in de toegepaste correctiefactor en vooral in het feit dat in dit geval ook de flankerende geluidstransmissie een rol speelt in het eindresultaat. Naarmate de prestaties van de onderzochte vloeropbouw hoger zijn en de flankerende wanden zwaarder, zal de L'nT,w-waarde lager zijn.

Dankzij de voorspellingsmodellen uit de norm NBN EN 12354-2 is het mogelijk de waarden die bekomen werden tijdens de laboratoriumproeven (Ln,w en ∆Lw) om te zetten naar de te verwachten isolatiewaarde op de bouwplaats (L'nT,w).

Referentienormen

  1. Bureau voor Normalisatie
    NBN S 01-400-1 Akoestische criteria voor woongebouwen. Brussel, NBN, 2007.
  2. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 12354-2 Bouwakoestiek. Schatting van de geluidsgedraging van gebouwen uit de bouwdeelgedraging.
    Deel 2 : klopgeluidwering tussen vertrekken. Brussel, NBN, 2000.
  3. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN ISO 717-2 Geluidleer. Bepaling van de geluidisolatie in gebouwen en van gebouwdelen.
    Deel 2 : kopgeluidisolatie. Brussel, NBN, 1997.
Al deze normen kunnen besteld worden bij het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be).


M. Van Damme, ing., adjunct-laboratoriumhoofd, laboratorium 'Akoestiek', WTCB
Ch. Crispin, ir., projectleider, afdeling 'Akoestiek', WTCB
D. Wuyts, ir., projectleider, afdeling 'Akoestiek', WTCB